Het oordeel
Vers 31 En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid.24 op den troon Dat is, op zijn heerlijken troon, welke in de wolken zal opgericht worden. Zie Matth. 24:30; Openb. 1:7.Vers 32 En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.25 vergaderd worden, Namelijk door den dienst der engelen. Zie Matth. 13:41.Vers 33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechter hand zetten, maar de bokken tot Zijn linker hand.26 rechter-hand zetten, Of, rechterzijde; alzo ook in het volgende.Vers 34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechter hand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.27 de Koning Namelijk Christus, die in Matth. 25:31, de Zoon des mensen genaamd wordt, en nu hier Koning, omdat Hij alsdan wezen zal in de volle heerschappij van zijn rijk.28 gezegenden mijns Vaders, Van deze zegening zie Ef. 1:3,4,5.29 u bereid is Namelijk van God, door en naar zijn eeuwige verkiezing, Ef. 1:4.Vers 35 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.30 geherbergd; Grieks, medegeleid, of medegenomen; namelijk om te herbergen.Vers 36 Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.31 bezocht; Of, hebt opzicht over mij genomen.32 Ik was in de gevangenis Onder deze verhaalde werken der liefde worden alle andere vruchten des geloofs verstaan, die hier voortgebracht worden, niet als verdienende oorzaken der zaligheid, maar als openbare getuigenissen en tekenen van hun geloof, die om de verdiensten van Christus uit genade zullen beloond worden, om daarmede te bewijzen de rechtvaardigheid van zijn vonnis in dit oordeel voor de gehele wereld, gelijk blijkt uit Matth. 25:34, waar als de eerst oorzaak hunner zaligheid gesteld wordt de zegen des Vaders, en de zaligheid een erfdeel wordt genaamd, en deze gezegd wordt hun bereid of toegeschikt te zijn eer de grond der wereld gelegd was; Ef. 1:4.Vers 37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?Vers 38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?Vers 39 En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?Vers 40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.33 zo hebt gij Dat is, dat zal ik achten alsof zulks mijzelven gedaan ware. Hand. 9:4.Vers 41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker hand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.34 vervloekten, Dat is om deze uwe zonden naar Gods rechtvaardig oordeel de straf des eeuwigen vloeks onderworpen.35 duivel en zijnen engelen Zo noemt Hij het hoofd der boze geesten, die hier ook zijne engelen genoemd worden, omdat de duivel hen gebruikt tot zijne dienstboden, gelijk Christus zijn goede engelen; Openb. 12:7.Vers 42 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;Vers 43 Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.Vers 44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?Vers 45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.36 deze minsten niet gedaan hebt, Namelijk die hier tot mijne rechterhand staan.Vers 46 En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.37 pijn; Of, straf, pijniging, gelijk 1 Joh. 4:18.