Advertentie

Mattheüs 25:14-30

17 verzen · 16 kanttekeningen · Statenvertaling

Gelijkenis der talenten

Vers 14 Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienstknechten riep, en gaf hun zijn goederen over.8 gelijk een mens, Door deze gelijkenis worden wij vermaand de gaven, die God ons verleent, elk naar de mate derzelve waar te nemen en te besteden tot de meeste stichting van anderen, met belofte van genadige beloning hier en hiernamaals voor degenen die zulks doen, en bedreiging van zware straffen tegen degenen, die zulks nalaten. Zie Joh. 15:2; 1 Cor. 12:5,6,7.Vers 15 En den ene gaf hij vijf talenten, en den ander twee, en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.9 vermogen, Dat is, begrip of bekwaamheid, namelijk om te handelen en winst te doen. Waaruit niet kan besloten worden dat een mens uit zichzelven kracht of bekwaamheid heeft om de gaven Gods recht te gebruiken. Want in de Schrift wordt doorgaans getuigd dat al onze bekwaamheid uit God is. Zie Joh. 15:5; 1 Cor. 15:10; 2 Cor. 3:5.Vers 16 Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.10 won andere vijf talenten. Grieks, maakte.Vers 17 Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.Vers 18 Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heren.Vers 19 En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.11 na een langen tijd Grieks, na veel tijds.Vers 20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.12 boven dezelve gewonnen. Of, met, door.Vers 21 En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.13 Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, Of, het is wel, het gaat wel, gij hebt wel gedaan.14 ga in, in de vreugde uws heren. Dat is, ga in met uwen heer ter plaatse waar hij zijne vreugde en heerlijkheid heeft. Zie Joh. 17:24; Luk. 22:30.Vers 22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.Vers 23 Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.Vers 24 Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heer! ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt;15 hard mens zijt, Of, straf.16 maaiende waar gij niet gezaaid hebt, Dit was een spreekwoord, waarmede beschreven werd een mens, die alles op het scherpste en nauwste tot zijn voordeel trekt.Vers 25 En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.Vers 26 Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.17 Gij boze en luie dienstknecht, Dat is, niet de vrees van mijne hardigheid, maar uw eigen boosheid en luiheid is daarvan de oorzaak.Vers 27 Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.18 gedaan hebben, Grieks, geworpen, of gelegd; namelijk in de wisselbank.19 woeker. Grieks, tokos; waardoor allerlei vrucht of winst van het gebruik des gelds wordt betekend, welke soms in het goede, soms in het kwade genomen wordt, naardat de winst redelijk of onredelijk is. Zie voorts Luk. 19:23.Vers 28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft.Vers 29 Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.20 een iegelijk Grieks, allen.21 die heeft, Dat is, die zijne gaven, die hij heeft, tewerkstelt en wel besteedt.22 die niet heeft, Dat is, die zijne gaven niet gebruikt of ledig laat liggen, alsof hij ze niet had gehad.Vers 30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.23 buitenste duisternis, Zie Matth. 8:12.

Lees heel Mattheüs 25

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.