De Kananese vrouw
Vers 21 En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.Vers 22 En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.17 Kananese vrouw, Zie van haar de aantekening bij Mark. 7:26, waar zij genaamd wordt een Griekse vrouw uit Syro-Fenicië. Hier wordt zij een Kananese vrouw genaamd, omdat de inwoners van Tyrus en Sidon uit de Kanaänieten gesproten waren. Want Sidon, van wien de stad Sidon haren oorsprong en naam had, was de eerstgeboren zoon van Cham; Gen. 10:15.Vers 23 Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.18 ons na. Grieks, achter ons.Vers 24 Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.19 dan tot de verloren schapen Namelijk voor dezen tijd, omdat de roeping der heiden nog niet gekomen was.Vers 25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!Vers 26 Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.20 betamelijk Grieks, eerlijk, of goed.21 hondekens voor te werpen. De heidenen worden bij honden vergeleken, omdat zij toen nog vreemd waren van Gods verbond.Vers 27 En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.22 doch Grieks, want.Vers 28 Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.