Jezus en de sabbat
Vers 1 In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.1 sabbatdag Grieks, sabbaten.Vers 2 En de Farizeën, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.2 den sabbat. De Farizeën bestraften de discipelen van Christus, niet omdat zij uit eens anders gezaaide aren plukten, want het was door de wet geoorloofd, Deut. 23:25, maar dat zij zulks deden op den sabbat.Vers 3 Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren?Vers 4 Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.3 het huis Gods Dat is, de tabernakel, die toen ter tijd te Nob was. Zie 1 Sam. 21:6.4 toonbroden gegeten heeft, Grieks, broden der voorlegging; Hebr. des aangezichts, namelijk des Heeren. Wat dit voor broden geweest zijn en wat men er mee deed, zie Lev. 24:5, enz.Vers 5 Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?5 ontheiligen in den tempel Dat is, zulke werken doen, die den sabbat ontheiligen zouden, indien God die tot zijn dienst niet bevolen had.6 onschuldig zijn? Dat is, daaraan niet misdoen.Vers 6 En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.7 meerder dan de tempel, Want Christus was de Heere des tempels, en de zaak zelve door den tempel afgebeeld en betekend; Mal. 3:1; Joh. 2:19.Vers 7 Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.8 niet offerande, Zie hiervoor Matth. 9:13 en Matth. 23:23.Vers 8 Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.9 Heere ook van den sabbat. Dat is, heeft macht om orde te stellen over de werken van den sabbat.