Jezus te Názareth veracht
Vers 1 En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.1 vaderland, Namelijk te Nazareth, hetwelk Zijn vaderland genoemd wordt, omdat Hij daar opgevoed was en met Zijne ouders lang gewoond had. Zie Matth. 13:54, en Luk. 4:16.Vers 2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?2 ontzetten zich, Grieks, werden verslagen.3 krachten Dat is, mirakelen of wondertekenen. Zie Matth. 7:22.4 door Zijn handen geschieden? Dat is, door Hem; een Hebreeuwse manier van spreken.Vers 3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geërgerd.5 timmerman, Dewijl Jozef een timmerman was, Matth. 13:55, zo is het waarschijnlijk dat Christus hem in dit handwerk geholpen heeft, totdat Hij zijn leerambt heeft aangevangen; hetwelk ook een deel Zijner vernedering geweest is, Luk. 2:51.6 broeder van Jakobus Dat is, neef; zie de aantekeningen Matth. 13:55.Vers 4 En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis.Vers 5 En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen.7 kon aldaar geen kracht doen; Hoe dit te verstaan is, zie de aantekeningen Matth. 13:58.Vers 6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende.