Het grootste gebod
Vers 28 En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van alle?25 zamen in woorden waren, Dat is, tezamen twistten met onderling vragen en antwoorden.26 eerste gebod van allen? Dat is, het voornaamste en grootste van de gehele wet Gods.Vers 29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een enig Heere.27 de Heere, onze God, Met het woord Heere wordt overgezet het Hebreeuwse woord Jehovah, hetwelk betekent het goddelijk wezen, dat van eeuwigheid in en van Zichzelven bestaat, en allen dingen hun wezen geeft.Vers 30 En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.28 verstand, en uit geheel uw kracht. Of, gedachte; dat is overlegging des verstands.Vers 31 En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.29 deze. Namelijk deze twee voornaamste geboden.Vers 32 En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;Vers 33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.30 brandofferen en de slachtofferen. Brandoffers waren offeranden, die op het altaar gelegd en aldaar geheel verbrand werden; slachtoffers, waarvan maar één deel op het altaar verbrand werd, en de andere stukken, zo van de priesters en Levieten als van degenen, die offerden, gegeten worden. Zie Lev. 1:en Lev. 2:enz. Hoewel somwijlen dit woord ook breder genomen wordt.Vers 34 En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.31 niet verre van het Koninkrijk Gods. Overmits deze zijne belijdenis uit een leerzaam gemoed scheen voort te komen, Mark. 12:32, en met de leer van Christus in zoverre overeenkwam; en de bekentenis van de wet een middel kon zijn om hem verder te brengen tot kennis van zichzelven, en alzo voorts tot Christus, Gal. 3:19.