De cijnspenning
Vers 13 En zij zonden tot Hem enigen der Farizeën en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.13 der Herodianen, Van de Herodianen zie de verklaring Matth. 22:16.14 in Zijn rede Of, met hun woord; dat is met hunne vraag.15 vangen zouden. Het Griekse woord is genomen van de gelijkenis van jagers, en ook van vissers, die door strikken, netten en lagen het wild of de vissen vangen.Vers 14 Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?16 persoon der mensen niet aan, Grieks, het aangezicht. Zie hiervan Matth. 22:16.17 den weg Gods in der waarheid; Dat is, de leer, die God voorschrijft om tot de zaligheid te komen.Vers 15 En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.18 penning, Grieks, denarius; daarvan zie Matth. 18:28.Vers 16 En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? en zij zeiden tot Hem: Des keizers.Vers 17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.