Advertentie

Markus 11

33 verzen · 27 kanttekeningen · Statenvertaling

Intocht in Jeruzalem 

Vers 1 En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanië, aan den Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,1 te Beth-fage en Bethanië, Grieks, in; dat is omtrent, gelijk uitgedrukt wordt Luk. 19:29. Van de ligging van deze twee plaatsen zie Matth. 21:1.Vers 2 En zeide tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het.2 een veulen gebonden, Matth. 21:2 wordt gezegd dat daar ook ene ezelin gehouden was met haar veulen. Doch Markus verhaalt alleen van het veulen, omdat Christus daarop gereden heeft. Zie Luk. 19:35.3 geen mens gezeten heeft, Grieks, geen der mensen; dat is niemand.Vers 3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? Zo zegt, dat de Heere hetzelve van node heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden.Vers 4 En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve.4 wegscheiding, Of, tweesprong, tweeweg.Vers 5 En sommigen van degenen, die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt?Vers 6 Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten ze gaan.Vers 7 En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun klederen daarop; en Hij zat op hetzelve.5 En zij brachten het veulen tot Jezus, Zie van dezen intocht van Christus binnen Jeruzalem de aantekeningen Matth. 21:1, enz.Vers 8 En velen spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op den weg.6 meien van de bomen, Het Griekse woord betekent kleine, tedere, groene takken, die bekwaam zijn om op te zitten en over te gaan. Zie ook Joh. 12:13.Vers 9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna! gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!7 Hosanna! Wat dit woord betekent zie Matth. 21:9.8 gezegend is Hij, Of, geprezen zij hij.Vers 10 Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!9 in de hoogste hemelen! Dat is, gij die daar zijt in de hoogste hemelen.Vers 11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging Hij uit naar Bethanië met de twaalven.10 avondstond was, Grieks, avondure.

De vijgeboom verdord en de tempel gereinigd 

Vers 12 En des anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde Hem.Vers 13 En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.11 de tijd der vijgen niet. Dat is, de rechte en gewone tijd dat de vijgebomen hun volle en rijpe vruchten hebben; hoewel in die hete landen de vijgebomen buitentijds ook enige ontijdige vruchten dragen, die van de geringe lieden plachten gegeten te worden, welke Christus schijnt gemeend te hebben daarop te vinden.Vers 14 En Jezus, antwoordende, zeide tot denzelven: Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.12 antwoordende, Het woord antwoorden naar de Hebreeuwse manier van spreken, betekent dikmaals ene rede beginnen, gelijk hier klaarlijk blijkt.Vers 15 En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;Vers 16 En liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg.13 vat door den tempel droeg. Namelijk tot den godsdienst niet behorende.Vers 17 En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.14 genaamd worden allen volken? Dat is, zijn en gehouden worden.Vers 18 En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.15 doden zouden; Grieks, verderven, of vernielen.16 ontzet was over Zijn leer. Of, verslagen was; namelijk door verwondering; en daarom vreesden zij dat al het volk Zijne leer zou aanhangen, en hen afvallen.Vers 19 En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad.Vers 20 En des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortelen af.Vers 21 En Petrus, zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot Hem: Rabbi! zie, de vijgeboom, dien Gij vervloekt hebt, is verdord.17 zulks indachtig geworden zijnde, Namelijk hetgeen tevoren, Mark. 11:14, van Christus gezegd was.Vers 22 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Hebt geloof op God.18 Hebt geloof op God. Grieks, hebt het geloof Gods; dit is, hetwelk vastelijk steunt en vertrouwt op God en Zijne beloften.Vers 23 Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven, dat hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.Vers 24 Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.19 begeert, Namelijk naar den wil van God; zie 1 Joh. 5:14.20 ontvangen zult, Grieks, ontvangt.Vers 25 En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve.21 staat Dat is, voor God verschijnt en u daarstelt om te bidden. Want hoewel de Joden somtijds al staande baden, Job 30:20; Jer. 15:1; Luk. 18:13, nochtans baden zij meest op hunne knieën liggende, 2 Kron. 6:13; Dan. 6:11; Hand. 9:40, en Hand. 20:36.22 om te bidden, Grieks, biddende.Vers 26 Maar indien gij niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven.

Over den doop van Johannes 

Vers 27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als Hij in den tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen.23 ouderlingen. Dat is, de oversten of oudsten des volks, die met de overpriesters en schriftgeleerden in dien tijd den breden Raad der Joden uitmaakten.Vers 28 En zeiden tot Hem: Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat Gij deze dingen doen zoudt?24 Door wat macht doet Gij deze dingen? Grieks, in wat macht.Vers 29 Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe:25 één woord vragen; Dat is, ene zaak.Vers 30 De doop van Johannes, was die uit den hemel, of uit de mensen? Antwoordt Mij.26 doop van Johannes, Dat is, de leer van Johannes door zijn doop bevestigd, gelijk blijkt uit de volgende verzen.Vers 31 En zij overlegden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?Vers 32 Maar indien wij zeggen: Uit de mensen; zo vrezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een profeet was.27 zo vrezen wij het volk; Grieks, zij vreesden. Het is een afgebroken wijze van spreken, waardoor hunne versteldheid en overleggingen in het kort uitgedrukt worden.Vers 33 En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.