Advertentie

Maleachi 3:7-18

12 verzen · 41 kanttekeningen · Statenvertaling

Vermaning God trouw te dienen

Vers 7 Van uwer vaderen dag af, zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren, zegt de Heere der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij wederkeren?23 niet bewaard; Dat is, niet onderhouden.24 keert weder tot Mij, Zie Zach. 1:3.25 Waarin zullen wij wederkeren? Alsof zij wilden zeggen: Wat hebben wij misdaan? of, wanneer zijn wij van U afgeweken, dat Gij ons beveelt weder te keren?Vers 8 Zal een mens God beroven? Maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer.26 Zal een mens God beroven? Alsof hij zeide: Het is tegen alle reden dat een mens God zou beroven; nochtans deden het velen onder de Joden. Zie Neh. 13:10.27 en zegt: Of, indien gijlieden zegt.28 tienden De priesters leefden van de tienden en hadden hun deel van de offeranden, welke als men hun niet betaalde, zo bestal en beroofde men God, en verkortte den godsdienst. Zie Mal. 3:9.29 hefoffer. Of, offer, of offerande.Vers 9 Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij berooft, zelfs het ganse volk.30 Met een vloek zijt gij vervloekt, Dat is, daarom zijt gijlieden zozeer vervloekt, geen ding gelukt en gedijt ulieden wel.31 zelfs het ganse volk. Versta hierbij, berooft mij, of, zelfs is ook het ganse volk [vervloekt], omdat het ook mij berooft. Anders: zij allen zijn heidenen; dat is, al die gierege Joden handelen zo goddelooslijk met het onthouden der tienden, alsof zij altegaar heidenen waren.Vers 10 Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.32 in het schathuis, Dat is, in mijne schatkamer, waar men bijeen bewaarde al hetgeen tot onderhoud van den godsdienst behoorde. Zie 1 Kron. 26:20; Neh. 10:38.33 beproeft Mij nu daarin, Te weten, of Ik u niet zal zegenen, als gij de tienden, en alles wat tot mijn godsdienst behoort, oprechtelijk levert.34 opendoen zal Te weten, ter bekwamer tijd. De zin is: Dan zal Ik ulieden overvloedigen en tijdigen regen geven.35 de vensteren des hemels, Of, sluizen; zie Gen. 7.:11.36 zegen Zegen is hier te zeggen vruchtbaren en overvloedigen regen.37 afgieten, Hebr. ijdelen, of ijdel maken. De zin is: In zulk een overvloed, dat het zal schijnen dat Ik al mijne schatkamers ijdel of ledig maak.38 zodat er geen schuren genoeg wezen zullen. Hebr. tot niets genoeg. De zin is: Ik zal ulieden zoveel vruchten en overvloed geven, dat gij ze niet allen zult kunnen inzamelen, noch schuren en vaten genoeg hebben om dezelve daarin te laten.Vers 11 En Ik zal om uwentwil den opeter schelden, dat hij u de vrucht des lands niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen, zegt de Heere der heirscharen.39 uwentwil Of, tot uw best, tot uw voordeel.40 den opeter Hierdoor verstaat Hij de kevers en dergelijke schadelijke beesten, die de vruchten des velds en der bomen opeten en beschadigen. Zie Joël 1:4.41 schelden, Dat is, verdrijven, of afkeren, of bedwingen.42 geen misdracht voortbrengen, Dat is, niet onvruchtbaar zijn, geen misgewas hebben. Verg. Lev. 26:19; Deut. 11:14,15; Job 12:14; Amos 4:7; Hagg. 1:10Vers 12 En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de Heere der heirscharen.43 een lustig land zijn, Hebr. een land van den lust. Wij zouden zeggen: Ulieder land zal een lustig land zijn. Verg. Dan. 11:6; Zach. 7:14.Vers 13 Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de Heere; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?44 Uw woorden zijn tegen Mij Dit is nog ene zonde, waarover de profeet het volk bestraft, namelijk dat zij tegen den Heer stoutelijk durfden spreken.45 te sterk geworden, Te stout, te straf, te hard.46 maar gij zegt: Anders: maar indien gijlieden zegt.Vers 14 Gij zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht des Heeren der heirscharen?47 Het is tevergeefs God te dienen; Verg. Job 21:15.48 dat wij Zijn wacht waarnemen, Dat is, dat wij onderhouden wat Hij ons bevolen heeft te onderhouden.49 dat wij in het zwart gaan, Dat is, dat wij treuren en leed dragen in zwarte klederen. Zie Job 30:28, en Ps. 38:7, en Ps. 42:10, en Ps. 43:2.Vers 15 En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den Heere, en ontkomen.50 En nu, Het zijn de woorden der goddelozen.51 de hoogmoedigen gelukzalig; De hovaardigen, de trotsen.52 worden gebouwd; Dat is, zij hebben geluk en voorspoed, zij groeien en bloeien en krijgen groten rijkdom in deze wereld; alzo wordt het woord bouwen ook genomen Spreuk. 24:3.53 verzoeken zij den HEERE, Zie Ps. 95:9.54 ontkomen. Te weten, uit alle onheil en gevaar, ook uit alle ellenden en zwarigheden; of zij ontkomen; dat is, zij worden niet gestraft.Vers 16 Alsdan spreken, die den Heere vrezen, een ieder tot zijn naaste: De Heere merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den Heere vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken.55 Alsdan Te weten, als zij zulke woorden der goddelozen horen.56 spreken, Te weten, de navolgende woorden, tot onderlinge vertroosting.57 merkt er toch op en hoort, Te weten, op de redenen der godslasteraars, die God niet ongestraft zal laten, hetzij hier of hiernamaals.58 daar is een gedenkboek Dat is, de Heere vergeet die niet, die Hem vrezen. Zie Deut. 32:34; Ps. 139:16; Openb. 20:12.59 voor Zijn aangezicht geschreven, Dit is menselijkerwijze van God gesproken.60 die aan Zijn Naam gedenken. De zin is: Die den Heere steeds voor ogen hebben, Hem achten en eren.Vers 17 En zij zullen, zegt de Heere der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschonen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient.61 te dien dage, Namelijk te dien dage als Ik de goddelozen straffen en mijn volk verlossen zal; zo zullen zij zijn, als mijn eigen erfdeel, een volk mij erfelijk toebehorende. Zie Ps. 135:4; 1 Petr. 2:9, en Tit. 2:14. Anders: Te dien dage, als Ik mij een eigendom maken zal; dat is, als Ik mijn volk zal afzonderen van de goddeloze wereldskinderen. Anders: ten dage als Ik mijn allerdierbaarste juwelen afzonderen zal.62 Ik zal hen verschonen, Dat is, Ik zal hen niet uitroeien met de goddelozen.Vers 18 Dan zult gijlieden wederom zien, het onderscheid tussen den rechtvaardige en den goddeloze, tussen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient.63 Dan zult gijlieden wederom zien, Anders: daarom bekeert u, zo zult gij zien, enz. En dit ziet voornamelijk op de goddelozen, van welke Mal. 3:14,15 gesproken is. De zin is: Dan zult gij anders moeten gevoelen en spreken dan gij tevoren placht te doen.

Lees heel Maleachi 3

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.