Profetie over de zending van Johannes den Doper en de komst van Christus
Vers 1 Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen.1 Ik zende Dit zijn de woorden van den Heere Christus.2 Mijn engel, Of, mijnen bode, te weten, Johannes de Doper; Matth. 11:10; Mark. 1:2; Luk. 1:76, en Luk. 7:27.3 bereiden zal; Hebr. ruimen zal, dat is, die uit den weg zal ruimen, wegnemen, alle beletselen, door zijne predikatie, enz. het volk bereide en aanleidende om Christus te ontvangen; zie Jes. 40:3, enz., Matth. 3:3.4 snellijk Of, haast; te weten, haast nadat Johannes de Doper zal gekomen zijn en den weg zal bereid hebben.5 tot Zijn tempel komen Dat is, Christus zal in het vlees verschijnen in den nieuwherbouwden tempel; waardoor ook afgebeeld is zijn gemeente.6 die Heere, Ik de Heere Jezus Christus.7 Dien gijlieden zoekt, Dat is, wiens komst gijlieden wenst en begeert, of immers voorgeeft dat gij naar Hem verlangt. De godzaligen onder de Joden wensten en hoopten op de komst van den Messias, als hun Zaligmaker; Matth. 13:17; Luk. 10:24.8 de Engel des verbonds, Te weten, Christus, die een Middelaar is van het genadeverbond tussen God en Zijn kerk. Zie 2 Cor. 5:19.Vers 2 Maar wie zal den dag Zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers.9 wie zal den dag Zijner toekomst verdragen, De zin is: Wie zal er zonder zonde gevonden worden, of zo zuiver, dat hij in de proef zal kunnen bestaan als Christus komen zal? Daar zal niemand zijn, die den Middelaar Christus niet van node zal hebben; zie Matth. 3:10,11,12.10 een goudsmid, Hebr. van een smelter, of louteraar.11 zeep der vollers. Anderen verstaan het van vollersaarde, volaarde, waschaarde.Vers 3 En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij den Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.12 de kinderen van Levi reinigen, Dat is, Hij zal beginnen aan de priesters, opdat zij als lichten mogen schijnen in het boze en overspelige geslacht. Doch sommigen verstaan hier door de kinderen van Levi alle gelovigen en ware Christenen, die de Heer Christus tot priesters maakt, om Hem een geestelijk en welbehagelijke offerande te offeren; zie Rom. 12:1; 1 Petr. 2:5,9; Openb. 1:6.13 in gerechtigheid. Dat is, gelijk het God in zijne wet heeft ingesteld, en van ons eist; zie Ps. 51:21.Vers 4 Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem den Heere zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren.14 zoet wezen, Dat is, aangenaam, welbehagelijk, gelijk Jer. 6:20; Hos. 9:4.15 als in de oude dagen, Hebr. naar de dagen der eeuw, te weten, voor de Babylonische gevangenschap, of toen zij beter en vromer waren; of versta die dagen, toen de vorige tempel nog in wezen was.16 in de vorige jaren. Dat is, in de verleden jaren.Vers 5 En Ik zal tot ulieden ten oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die valselijk zweren, en tegen degenen, die het loon des dagloners met geweld inhouden, die de weduwe, en den wees, en den vreemdeling het recht verkeren, en Mij niet vrezen, zegt de Heere der heirscharen.17 ten oordeel naderen; Dit past op der goddelozen woorden, als zij zeiden: Waar is God die straft? Mal. 2:17.18 Ik zal een snel Getuige zijn Dat is, Ik zal hen van hunne boosheid overtuigen en straffen; Gode is niets verborgen, Hij ziet alles wat wij doen, ja ook al wat wij denken, daarom kan Hij ons haast overtuigen.19 die het loon des dagloners met geweld inhouden, Of, die den dagloner verdrukken, of bedriegen in zijn loon: zie Lev. 19:33; Deut. 24:14,15.20 vreemdeling Hebr. verkerende den vreemdeling.21 Mij niet vrezen, De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid, daar integendeel God niet vrezen is een beginsel aller dwaasheid.Vers 6 Want Ik, de Heere, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.22 wordt niet veranderd; De zin is: Dewijl Ik goedertieren en genadig ben, en zulks altijd blijft, dat is de oorzaak waarom gij niet geheel zijt verteerd noch uitgeroeid geworden, gelijk gij met uw menigvuldige zonden wel verdiend hebt; Klaagl. 3:22,23; verg. Hab. 1:12.