Israëls ondankbaarheid
Vers 1 De last van het woord des Heeren tot Israël, door den dienst van Maleachi.1 last van het woord des HEEREN Zie Jes. 13:1, en Zach. 9:1.2 tot Israël, Tot het volk, dat uit de Babylonische gevangenschap in zijn land wedergekomen was, zijnde niet alleen Joden, maar ook sommige Israëlieten. Zie 1 Kron. 9:3.3 door den dienst van Maleachi. Hebr. door de hand.4 Maleachi. Gemeenlijk genoemd Malachias.Vers 2 Ik heb u liefgehad, zegt de Heere; maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de Heere; nochtans heb Ik Jakob liefgehad.5 zegt: Te weten, met verachtzaamheid; of immers uit zwakheid of onwetendheid. Anders: Indien gijlieden zegt.6 Waarin hebt Gij ons liefgehad? Dat is, waaraan blijkt het, dat Gij ons liefgehad hebt? Wij worden met zoveel tegenspoeden, ja wel met meer, tehuis gezocht, als velen onder de heidenen, die den waren God niet kennen noch eren.7 Was niet Ezau Jakobs broeder? Dit is het antwoord des Heeren op de voorgaande vraag van het volk. Alsof Hij zeide: Is dat niet een klaar bewijs mijner liefde jegens ulieden, dat Ik uwen vader Jakob verkoren en zijnen broeder Ezau verworpen heb? Waarop gevolgd is, dat Ik u, en niet Edom, tot mijn volk heb aangenomen, en allerlei weldaden bewezen, en nu tegenwoordig uit Babel verlost.8 nochtans heb Ik Jakob liefgehad. Zie Rom. 9:13.Vers 3 En Ezau heb Ik gehaat; en Ik heb zijn bergen gesteld tot een verwoesting, en zijn erve voor de draken der woestijn.9 en Ik heb Dat is, Ik heb zijn land verwoest en woest gelaten, en ulieden heb Ik wederom in uw vaderland en godsdienst hersteld. Verg. Jer. 49:8, en Ezech. 25:12, enz.10 zijn bergen gesteld Dat is, bergachtig land, waar hij in woonde, genoemd Seïr.11 zijn erve Dat is, het land hetwelk Ezau en zijne nakomelingen vele jaren als hun erf en eigen land bezeten hebben, zal Ik den draken der woestijn te bewonen geven; zie Jer. 49:13, enz.Vers 4 Ofschoon Edom zeide: Wij zijn verarmd, doch wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen; alzo zegt de Heere der heirscharen: Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken; en men zal hen noemen: Landpale der goddeloosheid, en een volk, op hetwelk de Heere vergramd is tot in eeuwigheid.12 Edom zeide: Dat is, de Edomieten.13 wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen; Hebr. wij zullen wederkeren, wij zullen bouwen.14 Zullen zij bouwen, Of, zij zullen bouwen, maar Ik zal afbreken. De zin is: Het land der Edomieten is verwoest, en het zal eeuwiglijk woest blijven, zonder weder op te komen.15 men zal hen noemen: Dat is, men zal hun land noemen.16 op hetwelk de HEERE vergramd is Of, hetwelk de Heere verfoeid heeft tot in eeuwigheid. Zie van het Hebr. woord Micha 6:10.Vers 5 En uw ogen zullen het zien, en gijlieden zult zeggen: De Heere zij groot gemaakt, van de landpale Israëls af!17 zullen het zien, Te weten, deze verwoesting van Edom.18 De HEERE zij groot gemaakt, Te weten, vanwege het verdelgen zijner vijanden.19 van de landpale Israëls af! Of, over de landpale van Israël. Anderen zetten dit vers aldus over: Hetwelk uwe ogen zien zullen van de landpale van Israël af, en gijlieden zult zeggen: De Heere maakt zich groot. Verg. Ps. 35:26,27, en Ps. 40:17, en Ps. 70:5, en Ps. 104:1.