De wonderbare spijziging
Vers 12 En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.14 dorpen, Grieks velden; dat is landhuizen.15 herberg nemen mogen, Grieks uitspannen.Vers 13 Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs kopen voor al dit volk;Vers 14 Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zeide tot Zijn discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig.16 zaten, elk van vijftig. Dat is, gezelschappen, die bijeen zitten, of waardschappen. Zie Mark. 6:40.Vers 15 En zij deden alzo, en deden hen allen nederzitten.17 deden hen allen nederzitten. Anders, zij zaten allen neder.Vers 16 En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar den hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen, om der schare voor te leggen.18 zegende die, Van deze zegening, zie Matth. 14:19.Vers 17 En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven.