Gelijkenis van de kaars
Vers 16 En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.14 bed; Of, bestede.Vers 17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen.15 niets verborgen, Namelijk van die dingen, die Ik u heb geopenbaard. Zie Matth. 10:27, en Mark. 4:22.Vers 18 Ziet dan, hoe gij hoort; want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hem genomen worden.16 hoe gij hoort; Dat is, met welke genegenheid des harten gij tot het gehoor des woords komt, en gehoord hebbende, hoe gij hetzelve recht zult gebruiken.17 meent te hebben, Of, schijnt te hebben. Zie de aantekeningen Matth. 13:12.