Prediking van Johannes den Doper
Vers 1 En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broeder, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene;1 Tiberius, Deze was de derde keizer in het Romeinse rijk, die na Augustus in het rijk is gevolgd, onder wiens regering Christus ook gestorven is.2 Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, Nadat Archelaüs, de oudste zoon van Herodes den Grote, die over Judea regeerde, Matth. 2:22, om zijn kwaad bestuur door de Romeinen verbannen was, hebben de Romeinse keizers hetzelfde land voortaan door hunne stadhouders laten regeren, van wie deze Pilatus de vijfde geweest is. Het overige van het land Kanaän werd door de andere zoon van Herodes geregeerd.3 een viervorst over Galilea, Van deze viervorsten zie de aantekeningen Matth. 14:1, in wier landen, die hier genoemd worden, Christus veel gepredikt heeft, gelijk ook in Abilene, hetwelk in Dekapolis lag; Matth. 4:25; Mark. 5:20.Vers 2 Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord Gods tot Johannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn.4 Annas en Kajafas, Annas was de schoonvader van Kajafas, Joh. 18:13, en zij worden hier als twee hogepriesters gesteld, òf omdat de hogepriesters altijd een plaatsvervanger hadden, die, als zij onrein of ziek waren, hunne plaats bewaarde; zie Num. 4:32; 1 Kon. 4:4; 2 Kon. 23:4, en 2 Kon. 25:18; òf omdat zij toen ten tijde de ene het ene jaar en de andere het andere jaar het hogepriesterambt bedienden. Zie Joh. 11:49,51, en Hand. 4:6, alzo de opvolging van de rechte hogepriesters, van Aäron afkomstig, in verwarring was gekomen, en dat ambt nu ene weldaad of gift der Romeinen was geworden.5 in de woestijn. Van deze woestijn, zie Matth. 3:1.Vers 3 En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.Vers 4 Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!6 De stem des roependen in de woestijn: Van deze stem en profetie zie de aantekeningen Matth. 3:3, en Jes. 40:3.Vers 5 Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechten weg worden, en de oneffen tot effen wegen.Vers 6 En alle vlees zal de zaligheid Gods zien.7 alle vlees zal Dat is, allerlei soorten van mensen. Zie Joël. 2:28; Hand. 2:17.8 de zaligheid Gods zien. Zie Luk. 2:30.Vers 7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?9 adderengebroedsels, Deze zijn ene soort van slangen, die zeer venijnig zijn. Zie Hand. 28:3,6.Vers 8 Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.10 waardig; Of, betamelijk; en met de ware bekering overeenkomende.11 bij uzelven: Grieks in uzelven.Vers 9 En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen.12 de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; Dat is, de straf Gods is bereid en nakende voor degenen, die, de predikatie des Evangelies horende, gene vruchten voortbrengen.Vers 10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen?13 Wat zullen wij dan doen? Namelijk om deze straf te ontgaan en zalig te worden.Vers 11 En hij, antwoordende, zeide tot hen: Die twee rokken heeft, dele hem mede, die geen heeft; en die spijze heeft, doe desgelijks.14 dele hem mede, die geen heeft; Dat is, betoonde alzo de liefde tot zijn armen evennaaste, dat eer hij hem gebrek zou laten lijden, hij liever hem een van zijne rokken en een deel van zijn nodige spijs geve.Vers 12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen?Vers 13 En hij zeide tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is.15 gezet is. Namelijk van de hoge overheid.Vers 14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen.16 Doet niemand overlast, Het Griekse woord betekent iemand herwaarts en derwaarts slingeren of schudden; alzo dat hier allerlei stroperij, moedwil en onbillijk geweld den krijgslieden verboden wordt.17 ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, Het Griekse woord betekent wel iemand valselijk beschuldigen, maar Lukas gebruikt dit woord in zulken zin als het hier overgezet is, gelijk blijkt Luk. 19:8.Vers 15 En als het volk verwachtte, en allen in hun harten overleiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware;18 verwachtte, Of, in verwachting stond; namelijk van de komst van den Messias.Vers 16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;19 met den Heiligen Geest Grieks in.20 vuur; Zie Matth. 3:11.Vers 17 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met onuitblusselijk vuur verbranden.21 wan in Zijn hand is, Of, werpschup. Zie Matth. 3:12.22 schuur samenbrengen; Of, korenzolder.Vers 18 Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Evangelie.