De kruisiging
Vers 33 En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedel plaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter zijde en den ander ter linker zijde.38 Hoofdschedel plaats De oorzaak van dezen naam zie Matth. 27:33.Vers 34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.39 zij weten niet, Dat is, het merendeel van hen. Want sommigen van hen wisten het wel en zondigden tegen den Heiligen Geest, Matth. 12:32.40 wat zij doen. Dat zij namelijk den waren Messias kruisigen. Zie Hand. 3:17; 1 Cor. 2:8.Vers 35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.41 de Uitverkorene Gods. Dat is, van God verkoren om te wezen de ware Messias, 1 Petr. 1:20.Vers 36 En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik;42 en brachten Hem edik; Namelijk voor de tweede reis. Waarvan zie Matth. 27:34,48.Vers 37 En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.Vers 38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN.43 opschrift Namelijk zijner beschuldiging; Mark. 15:26.44 boven Hem geschreven, Dat is, boven zijn hoofd, op het kruis gehecht; Joh. 19:19.Vers 39 En een der kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.Vers 40 Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?Vers 41 En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.Vers 42 En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.45 Koninkrijk zult gekomen zijn. Namelijk van uwe heerlijkheid.Vers 43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.46 in het Paradijs zijn. Dat is, in den hemel; 2 Cor. 12:4.