Jezus voor het Sanhedrin
Vers 63 En de mannen, die Jezus hielden, bespotten Hem, en sloegen Hem.Vers 64 En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?Vers 65 En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende.67 zeiden zij tegen Hem, Dat is, lasterlijk van Hem en tot Hem sprekende.Vers 66 En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,68 vergaderden Namelijk voor de tweede reis, om Hem nader te ondervragen en aan Pilatus over te leveren. Van de eerste vergadering zie Matth. 26:57.69 de ouderlingen des volks, Grieks het ouderlingschap.70 raad, Grieks Synedrion, waarvan zie Matth. 5:22.Vers 67 Zeggende: Zijt Gij de Christus, zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;71 Zijt Gij de Christus, Of, zo gij de Christus zijt, zeg het ons.Vers 68 En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;Vers 69 Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter hand der kracht Gods.72 Van nu aan Namelijk nadat Hij, gedood zijnde, wederom zal opstaan van de doden en ten hemel varen.Vers 70 En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon Gods? En Hij zeide tot hen: Gij zegt, dat Ik het ben.73 Gij zegt, dat Ik het ben. Of, gijlieden zegt het, want Ik ben het. Zie van deze manier van spreken Matth. 26:25.Vers 71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van node? Want wij zelven hebben het uit Zijn mond gehoord.