Verloochening van Petrus
Vers 54 En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis des hogepriesters. En Petrus volgde van verre.61 het huis des hogepriesters. Namelijk eerst tot Annas, en daarna tot Kajafas, Joh. 18:13,24.Vers 55 En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen.Vers 56 En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met Hem.62 het vuur zitten, Grieks licht; dat is vuur. Zie Luk. 22:55, en Mark. 14:54.Vers 57 Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.Vers 58 En kort daarna een ander, hem ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mens, ik ben niet.63 die. Namelijk discipelen van Jezus.Vers 59 En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In der waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileër.64 een Galileër. Alzo het blijkt uit zijne spraak, Matth. 26:73.Vers 60 Maar Petrus zeide: Mens, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.65 kraaide de haan. Namelijk voor de tweede reis, tegen den dageraad. Zie Mark. 14:72.Vers 61 En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.66 zal gekraaid hebben, Dat is, zal zijn kraaien geëindigd hebben.Vers 62 En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.