Het penningske der weduwe
Vers 1 En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.1 schatkist werpen. Zie van deze schatkist 2 Kon. 12:9; Matth. 27:6.Vers 2 En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen.2 kleine penningen daarin werpen. Of, kleintjes; zie van de waarde derzelve Mark. 12:42.Vers 3 En Hij zeide: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen.Vers 4 Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.3 overvloed geworpen Of, overschot.4 tot de gaven Gods; Dat is, tot andere gaven, die Gode gegeven of toegeëigend en in de schatkist bewaard werden.5 van haar gebrek, Dat is, van hetgeen zij zelve gebrek of van node had om te leven.6 leeftocht, Grieks leven. Zie Mark. 12:44.