Jezus en Zachéüs
Vers 1 En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho.1 ingekomen zijnde, Namelijk in de stad. Zie Luk. 18:35.2 Jericho. Van de ligging van deze stad zie Mark. 10:46.Vers 2 En zie, er was een man, met name geheten Zacheüs; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;3 overste der tollenaren, In elke provincie en stad waren verscheidene tollenaars, onder welken een de opperste was, die de tollen aan de Romeinen moest verantwoorden. Zie dergelijke bij Josefus Antiq.lib. 12 cap. 4.Vers 3 En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.4 van persoon was. Grieks statuur, of lengte.Vers 4 En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan.5 wilden vijgeboom, Grieks Sycomoraea; dit was een boom in Syrië en Egypte, hebbende de grootte en bladeren van een moerbeziënboom, en vruchten als vijgen, doch zonder pitten. Plin.lib. 13, cap. 7.Vers 5 En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheüs! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.6 blijven. Dat is, herbergen, gelijk Luk. 19:7 verklaard wordt.Vers 6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.7 met blijdschap. Grieks blijde zijnde.Vers 7 En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen.8 te herbergen. Grieks uit te spannen; ene wijze van spreken genomen van het uitspannen der paarden, als men voor de herberg komt.Vers 8 En Zacheüs stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.9 door bedrog ontvreemd heb, Of, door vals aanbrengen, of beschuldigen, afgenomen heb. Zie Luk. 3:14.10 vierdubbel weder. Namelijk volgens de wet der straf over de dieverij; Exod. 22:1; 2 Sam. 12:6.Vers 9 En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.11 huize zaligheid geschied, Dat is, huisgezin; alzo de huisvader in Christus gelovende, het gehele huisgezin in het verbond ook gerekend wordt, volgens de belofte Gen. 17:7; Hand. 2:39, en Hand. 16:15,33, tenzij dat zij door hunne ongelovigheid deze genade verwerpen.12 een zoon van Abraham is. Namelijk niet alleen naar het vlees, maar ook naar de belofte; Rom. 9:8.Vers 10 Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.