Genezing van tien melaatsen
Vers 11 En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galilea ging.13 van Samaria en Galilea ging. Dat is, van het land, waarvan de stad Samaria de hoofdstad was. Want van Galilea naar Jeruzalem was de naaste weg door het land van Samaria.Vers 12 En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;14 van verre; Dat is, buiten het volk, volgens de wet, Num. 5:2.Vers 13 En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer!15 Meester! Grieks voorstander.Vers 14 En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesteren. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.16 vertoont uzelven den De oorzaak hiervan zie Matth. 8:4.Vers 15 En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.Vers 16 En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan;Vers 17 En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?Vers 18 En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?17 vreemdeling? Dat is, die van een ander dan van het Joodse geslacht is; want de Samaritanen waren van de heidenen gesproten; 2 Kon. 17:24.Vers 19 En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.