Uitzending der zeventig
Vers 1 En na dezen stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou.1 andere zeventig, Namelijk boven de twaalven, die Hij tot apostelen verkoren en tevoren uitgezonden had.2 voor Zijn aangezicht, Dat is, voor Hem heen; namelijk om de Joden van Zijne toekomst te waarschuwen en tot aanneming van hem en zijne leer te bereiden.Vers 2 Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom, bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.3 groot, Grieks veel.4 arbeiders Dat is, getrouwe leraars.5 uitstote. Grieks uitwerpe; dat is, door de kracht des Geestes daartoe willig en bekwaam gemaakt zijnde, uitzende, 2 Cor. 3:5.Vers 3 Gaat henen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden der wolven.Vers 4 Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op den weg.6 groet niemand op den weg. Dat is, houdt u niet op met groeten of aanspraak dergenen, die u ontmoeten, maar haast u op reis. Zie 2 Kon. 4:29. Anderszins zo weert Christus niet de burgerlijke beleefdheid in het groeten, die Hij zelf tegen Zijne discipelen dikwijls gebruikt heeft.Vers 5 En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize!7 Vrede [zij] dezen huize! Dat is, geluk en zaligheid. Dit is ene manier van groeten bij de Joden.Vers 6 En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal uw vrede tot u wederkeren.8 een zoon des vredes is, Dat is, die door Gods genade den vrede waardig is, gelijk Matth. 10:11 verklaard wordt. Zo wordt het woord zoon dikwijls genomen. Zie 2 Sam. 12:5; Matth. 23:15; Ef. 2:3.Vers 7 En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, hetgeen van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over van het ene huis in het andere huis.9 gaat niet over Namelijk om meerder gemak of beter onthaal elders te zoeken, alzo gij daar niet lang zult mogen verblijven.Vers 8 En in wat stad gij zult ingaan, en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt.10 eet hetgeen ulieden voorgezet wordt. Dat is, zijt daarmede tevreden.Vers 9 En geneest de kranken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen.Vers 10 Maar in wat stad gij zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten, zo zegt:Vers 11 Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans zo weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is.11 schudden wij af op ulieden; Grieks vagen wij af. Zie de aantekeningen Matth. 10:14.Vers 12 En Ik zeg u, dat het dien van Sodom verdragelijker wezen zal in dien dag, dan dezelve stad.12 dien dag, Namelijk des uitersten oordeels, gelijk te zien is Luk. 10:14.Vers 13 Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaida, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.13 krachten geschied waren, Dat is, krachtige werken of wondertekenen. Hiermede wil Christus te kennen geven dat de hardnekkigheid van deze heidense mensen zo groot niet was als van deze Joden. Zie dergelijke Ezech. 3:6,7.Vers 14 Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan ulieden.Vers 15 En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden.14 die tot den hemel toe Zie Matth. 11:23.Vers 16 Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.Vers 17 En de zeventigen zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam.15 de zeventigen Namelijk die van Christus uitgezonden waren, Luk. 10:1.Vers 18 En Hij zeide tot hen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen.16 als een bliksem, Dat is, snellijk.17 uit den hemel Dat is, uit de lucht, gelijk Matth. 6:26. Zie Ef. 6:12.18 vallen. Dat is, zijne kracht en heerschappij verliezen. Zie Openb. 12:9, enz.Vers 19 Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.19 op slangen en schorpioenen te treden, Zie hiervan Mark. 16:18.20 des vijands; Dat is, des duivels. Zie Matth. 13:39; 1 Petr. 5:8.21 beschadigen. Grieks verongelijken. Zie ook Openb. 6:6.Vers 20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.22 niet, Dat is, niet zozeer; namelijk omdat de huichelaars zulks ook somwijlen hebben gedaan. Zie Matth. 7:22,23.23 de geesten u onderworpen zijn; Dat is, de onreine geesten.24 in de hemelen. Namelijk in het boek des levens. Zie de verklaring daarvan Fil. 4:3.