Wetten voor het bereiden van het brandoffer
Vers 8 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 9 Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des brandoffers; het is hetgeen, wat door de branding op het altaar den gansen nacht tot aan den morgen opvaart; alwaar het vuur des altaars zal brandende gehouden worden.12 Dit is de wet des brandoffers; Dat is, het voorschrift van die manier hoe men brandoffer doen zal, of het dagelijkse, Exod. 29:38, of het vrijwillige, Lev. 1,of wat de wet voor enige zonde beveelt.13 het is hetgeen, Te weten, het brandoffer. Het is ene beschrijving des brandoffers; vergelijk die met de aantekeningen op Gen. 8:20.14 het vuur des altaars Te weten, wat op dit altaar, toen de eerste offerande daarop geschiedde, uit den hemel gevallen is, en daarna altijd brandende onderhouden moest worden; onder Lev. 6:12,13.Vers 10 En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen.15 linnen kleed aantrekken, Zie hiervan, Exod. 28:39,40.16 die bij het altaar leggen. Te weten, as. Zie boven, Lev. 1:16.Vers 11 Daarna zal hij zijn klederen uittrekken, en zal andere klederen aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats.17 tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats. Zie boven, Lev. 4:12.Vers 12 Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elken morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet der dankofferen daarop aansteken.18 daar Te weten, op het altaar.19 elken morgen hout aansteken, Hebreeuws, in den morgen, in den morgen. Zie Gen. 39:10.Vers 13 Het vuur zal geduriglijk op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden.Vers 14 Dit is nu de wet des spijsoffers; een der zonen van Aäron zal dat voor het aangezicht des Heeren offeren, voor het altaar.20 spijsoffers; Zie boven, Lev. 2:1.21 voor aan het altaar. Anders, op het altaar. Hebreeuws, aan het aangezicht des altaars.Vers 15 En hij zal daarvan opnemen zijn hand vol, uit de meelbloem des spijsoffers, en van deszelfs olie, en al den wierook, die op het spijsoffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is een liefelijke reuk tot deszelfs gedachtenis voor den Heere.22 een liefelijke reuk Zie boven, Lev. 1:9.23 tot deszelfs gedachtenis Zie boven, Lev. 2:2.Vers 16 En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in den voorhof van de tent der samenkomst zullen zij dat eten.24 zullen Aäron en zijn zonen eten; Deze wet had drie redenen:25 in den voorhof van de tent Hiermede wordt uitgedrukt welke de heilige plaats is, waar het heilige door de priesters gegeten moest worden. Zie ook onder, Lev. 6:26, en Lev. 10:12,13.Vers 17 Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuurofferen; het is een heiligheid der heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer.26 een heiligheid der heiligheden, Zie boven, Lev. 2:3.Vers 18 Al wat mannelijk is onder de zonen van Aäron zal het eten; het zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten van de vuurofferen des Heeren; al wat die zal aanroeren, zal heilig zijn.27 eeuwige inzetting Hebreeuws, inzetting der eeuwigheid. Zie Gen. 13:15.28 wat Of, al wie.29 die zal aanroeren, Te weten, de dingen, vermeld in Lev. 6:16,17.30 heilig zijn. Dat is, voor heilig geacht en niet gebruikelijk in enige andere zaken; maar het moest òf gebroken òf gewassen òf ook geschuurd en afgespoeld worden. Zie onder, Lev. 6:27,28.Vers 19 Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 20 Dit is de offerande van Aäron en van zijn zonen, die zij den Heere offeren zullen, ten dage als hij zal gezalfd worden: het tiende deel ener efa meelbloem, een spijsoffer gedurig; de helft daarvan op den morgen, en de helft daarvan op den avond.31 hij zal gezalfd worden: Namelijk, Aäron, of een zijner zonen.32 efa meelbloem, Zie boven, Lev. 5:11.33 een spijsoffer gedurig; Dat is, of, gelijk het gedurig spijsoffer, of, met het gedurig spijsoffer, of, ten gedurigen spijsoffer; te weten, in de zalving der priesters. Aangaande het gedurig spijsoffer, zie Exod. 29:40.34 de helft daarvan op den morgen, Dat is, de ene helft der meelbloem voor het morgenoffer en de ander voor het avondoffer.Vers 21 Het zal in een pan met olie gemaakt worden; geroost zult gij het brengen; en de gebakken stukken des spijsoffers zult gij offeren, tot een liefelijken reuk den Heere.35 geroost zult gij het brengen; Anders, gebakken, en zo gezoden, dat het opbobbelt en door het koken opgeblazen wordt, en tot enige verheffing komt; alzo onder, Lev. 7:12.36 gebakken stukken Hebreeuws, kooksel des spijsoffers van de stukken; dat is, gekookte of gebakken stukken des spijsoffers.Vers 22 Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor den Heere geheel aangestoken worden.37 gezalfde zal worden, Te weten, om na zijn dood in zijn ambt te treden.38 aangestoken worden. Om ganselijk verbrand te worden.Vers 23 Alzo zal alle spijsoffer des priesters ganselijk zijn; het zal niet gegeten worden.39 Alzo zal alle spijsoffer des priesters ganselijk zijn; Te weten, dat het gans aangestoken en verbrand zal worden. Anders, zal geheel verbrand worden.Vers 24 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 25 Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des zondoffers: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht des Heeren geslacht worden; het is een heiligheid der heiligheden.40 zondoffers: Zie boven, Lev. 4:3.41 in de plaats, Zie boven, Lev. 1:3.42 het is een heiligheid der heiligheden. Zie boven, Lev. 2:3.Vers 26 De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in den voorhof van de tent der samenkomst.43 voor de zonde offert, Hebreeuws, ontzondigt; dat is, voor de zonde offert.Vers 27 Al wat deszelfs vlees zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij in de heilige plaats wassen.44 wat deszelfs vlees zal aanroeren, Of, wie.45 heilig zijn; Zie boven, Lev. 6:18.46 dat, Te weten, kleed.47 de heilige plaats wassen. Zie boven, Lev. 6:16.Vers 28 En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.48 water gespoeld worden. Te weten, in het heilige water. Zie Exod. 40:7,30, en onder, Lev. 8:11.Vers 29 Al wat mannelijk is onder de priesteren, zal dat eten; het is een heiligheid der heiligheden.Vers 30 Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent der samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden.49 zondoffer, Zodanige waren de zondoffers, die voor het vergrijp des hogepriesters en der gehele gemeente geofferd werden; Lev. 4:5,16. Idem het jaarlijkse zondoffer op den dag der verzoening; Lev. 16:27.