Advertentie

Leviticus 25:1-22

22 verzen · 25 kanttekeningen · Statenvertaling

Wetten voor het sabbat- en jubeljaar

Vers 1 Verder sprak de Heere tot Mozes, aan den berg Sinaï, zeggende:1 aan den berg Sinaï, Te weten, uit de tent der samenkomst, die nu aan den berg opgericht was, Exod. 40,en uit welke God aan Mozes deze wetten heeft gegeven, Lev. 1:1, toen zij opgericht was bij den berg Sinaï. Vergelijk onder, Lev. 26:46, en Lev. 27:34.Vers 2 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den Heere.2 zal dat land Anders, het land zal rusten, het zal een sabbat den HEERE zijn.3 rusten, Te weten, van bebouwd te worden.4 sabbat Het woord sabbat betekent rust en ophouding van enige werken. De uitwendige sabbat is in het Oude Testament geweest:5 den HEERE. Dat is, naar zijn bevel en Hem ter ere.Vers 3 Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.Vers 4 Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den Heere; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.Vers 5 Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn.6 afzondering Anders, wat gij niet besneden hebt, of, waarvan gij u onthouden hebt. Versta, den wijngaard van iederen Israëliet, waarvan hij zich naar deze wet afzondere, om het bebouwen, het snoeien daarvan en het aflezen zijner druiven na te laten. Zo wordt hij ook genoemd onder, Lev. 25:11.Vers 6 En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;7 inkomst van Dat is, de vruchten, die in dat zevende jaar op het ongebouwde land vanzelf, door den zegen des Heeren voortkomen zullen, en door den eigenaar niet, als naar gewoonte, in de schuren en kelders moesten ingezameld zijn.Vers 7 Mitsgaders voor het vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn.Vers 8 Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.8 zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; Hebreeuws, sabbatjaren. Het woord sabbat betekent hier een week, gelijk boven, Lev. 23:15; gelijk nu een week der dagen zeven dagen had, alzo had een week der jaren zeven jaren.Vers 9 Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maand, de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw ganse land.9 zevende maand, Zie van deze maand boven, Lev. 23:24.10 doen doorgaan; Dat is, doen omdragen door het gehele land, om overal geblazen te worden tot verkondiging van het jubeljaar.11 verzoendag Zie boven, Lev. 23:27.Vers 10 En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht.12 dat vijftigste jaar Hebreeuws, het jaar van vijftig jaar.13 heiligen, Dat is, verkondigen dat het den Heere tot een bijzonder en heilig gebruik toegeëigend en afgezonderd is. Zie van het woord heiligen, in dezen zin genomen, boven, Lev. 8:10.14 jubeljaar zijn; Het Hebreeuwse woord Jobel betekent vooreerst een weer of ram, daarna een ramshoorn, en eindelijk het vijftigste jaar, hetwelk met een ramshoorn verkondigd werd, gelijk hier. In dit jaar werd de vrijheid voor de Israëlietische knechten en dienstmaagden uitgeroepen, en die hun erfgoederen door armoede verkocht hadden, kwamen weder in derzelver bezit. Het woord jaar wordt hier en in het volgende bijgevoegd uit Lev. 25:13.15 tot zijn geslacht. Dat is, tot zijne maagschap en vrienden, van wie hij zich afgezonderd had door zich aan vreemden te verkopen. Zie onder, Lev. 25:41.Vers 11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden.16 hetzelve afsnijden. Versta, het vijftigste jaar. Zie boven, Lev. 25:5.Vers 12 Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten.17 heilig zijn; Hebreeuws, heiligheid.18 de inkomst daarvan eten. Te weten, die vanzelf, zonder uw arbeid, zal gewassen zijn.Vers 13 Op dat jubeljaar zult gij ieder wederkeren tot zijn bezitting.Vers 14 Daarom, wanneer gij aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand uws naasten kopen zult, dat niemand de een den ander verdrukke.19 de een den ander Hebreeuws, een man zijnen broeder.20 verdrukke. Of, verkorte. Zie boven, Lev. 19:33.Vers 15 Naar het getal der jaren, van het jubeljaar af, zult gij van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkopen.21 van de jaren der inkomsten Dat is, waarin het veld of de akkers hunne inkomst voortbrengen. Want het land werd niet verkocht, maar alleen zijn inkomen voor zekere jaren, gelijk blijkt uit het volgende.Vers 16 Naar de veelheid der jaren zult gij zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid der jaren zult gij zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten.22 zijn koop vermeerderen, Versta, van het goed, dat te verkopen is, prijs of waarde.23 getal der inkomsten. Dat is, niet het eigendom des lands, maar het gebruik en de inkomsten daarvan, en dat voor een getal van jaren, dat met het jubeljaar moet eindigen. Want alsdan mocht de verkoper of eigenaar weder in zijn goed komen, en de koper er uit scheiden.Vers 17 Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben de Heere, uw God!Vers 18 En doet Mijn inzettingen, en houdt Mijn rechten, en doet dezelve; zo zult gij zeker wonen in het land.Vers 19 En het land zal zijn vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe; en gij zult zeker daarin wonen.Vers 20 En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen;Vers 21 Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.24 gebieden Dat is, Ik zal mijn zegen geven en toezenden. Gods gebieden betekent zijn doen, volbrengen en uitvoeren, òf met dadelijke zegening, gelijk hier en Deut. 28:8, en Ps. 111:9, en Ps. 133:3; òf met dadelijke straf, gelijk Jes. 5:6; Amos 9:4; Nah. 1:14. Vergelijk Gen. 1:3.Vers 22 Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult gij het oude eten.25 zijn inkomst ingekomen is, Te weten, van het achtste jaar.

Lees heel Leviticus 25

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.