Straf voor den godslasteraar
Vers 10 En er ging de zoon ener Israëlietische vrouw uit, die, in het midden der kinderen Israëls, de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israëlietische en een Israëlietisch man twistten in het leger.15 de zoon van een Egyptische man was; Het is waarschijnlijk dat deze Egyptenaar het Israëlietisch geloof aangenomen had, gelijk velen menen, of anders moest hij, als een vreemdeling, onder de Israëlieten gewoond hebben.16 Israëlietisch man Ten aanzien van beide zijn ouders.Vers 11 Toen lasterde de zoon der Israëlietische vrouw uitdrukkelijk den NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu zijner moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van den stam Dan.17 lasterde de zoon der Israëlietische vrouw Het Hebreeuwse woord wat hier uitdrukkelijk lasteren overgezet is, betekent eigenlijk doorsteken, doorboren, doorwonden; waarmede de afgrijselijkheid dezer daad te kennen gegeven wordt, omdat hij God met zijn snode tong als doorstoken had.18 NAAM, Versta, den naam des Heeren, of, JEHOVAH, gelijk zulks verklaard wordt Lev. 24:16, en Deut. 28:58. Zie van dezen naam Gen. 2:4.19 brachten zij hem tot Mozes; Versta, dat de rechters hem tot Mozes gebracht hebben, om hem raad te vragen hoe zij dezen gruwelijken lasteraar straffen zouden.Vers 12 En zij leidden hem in de gevangenis, opdat hem, naar den mond des Heeren, verklaring geschieden zou.20 den mond des HEEREN, Dat is, het bevel des Heeren. Zie Gen. 41:40, en Exod. 17:1.Vers 13 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:Vers 14 Breng den vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen.21 gehoord hebben, Namelijk, hoe hij gevloekt en den naam van God gelasterd heeft. En dezen, als getuigen, moesten hunne hand op zijn hoofd leggen, om daarmede te getuigen dat zij hem met waarheid van deze zonde der godslastering beschuldigden, en dat hij alzo er aan schuldig zijnde, deze straf verdiend had.Vers 15 En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen.22 zonde dragen. Dat is, de straf zijner zonde, gelijk hij dat verklaart in Lev. 24:16. Zie boven, Lev. 5:1.Vers 16 En wie den Naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem zekerlijk stenigen; alzo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.23 gelasterd zal hebben, Hebreeuws, doorstoken hebben; gelijk boven, Lev. 24:11. Zie aldaar.24 zal zekerlijk gedood worden; Hebreeuws, stervende gedood worden; dat is, men zal niet nalaten hem te doden zonder enige verschoning te gebruiken. Alzo in het volgende.25 zekerlijk stenigen; Hebreeuws, stenigende stenigen.Vers 17 En als iemand enige ziel des mensen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden.26 ziel des mensen Dat is, een mens. Zie Gen. 12:5, en Exod. 21:12.27 zal verslagen hebben, Dat is, wie een mens met wonden en slaan het leven beneemt. Vergelijk Gen. 37:21.Vers 18 Maar wie de ziel van enig vee zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven, ziel voor ziel.28 ziel voor ziel. Te weten, een levend stuk vee, voor hetgeen hij doodgeslagen zal hebben.Vers 19 Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; gelijk als hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden:29 zo zal ook aan hem gedaan worden: Te weten, naar wettelijke orde, verklaard in de volgende aantekening.Vers 20 Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.30 Breuk voor breuk, Dit was de wet der vergelding, welke niet door particuliere personen, maar door de overheid met kennis van zaken moest uitgevoerd worden. De Farizeën hebben haar misduid en kwalijk uitgelegd, waarover zij van onzen Zaligmaker, Matth. 5:38,39, bestraft worden.31 aangebracht hebben, Hebreeuws, gegeven.Vers 21 Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden.Vers 22 Enerlei recht zult gij hebben; zo zal de vreemdeling zijn, als de inboorling; want Ik ben de Heere, uw God!Vers 23 En Mozes zeide tot de kinderen Israëls, dat zij den vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de kinderen Israëls deden, gelijk als de Heere Mozes geboden had.