Wetten voor de reiniging der melaatsheid
Vers 1 Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 2 Dit zal de wet des melaatsen zijn, ten dage zijner reiniging: dat hij tot den priester zal gebracht worden.1 ten dage zijner reiniging: Dat is, wanneer de priester hem rein zal verklaren.2 tot den priester Te weten, wat nader tot hem, opdat hij niet zeer ver buiten het leger behoefde uit te gaan.Vers 3 En de priester zal buiten het leger gaan; als de priester merken zal, dat, ziet, die plaag der melaatsheid van den melaatse genezen is;3 merken zal, Deze bezichtiging en de verklaring, die er op volgde, moest door den priester naar de wetten, gesteld in Lev. 13, gedaan worden.Vers 4 Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogelen neme, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hysop.4 vogelen neme, Het Hebreeuwse woordje betekent in het algemeen een vogel, Deut. 4:17: Ps. 8:9, in het bijzonder een kleinen vogel; en onder anderen een mus, gelijk het van velen genomen wordt; Ps. 84:4, en Ps. 102:8.5 scharlaken, Versta, enige stof, als wol, die in de scharlaken verf tweemalen ingedoopt is. Zie Gen. 38:28; Exod. 25:4.6 hysop. Zie Exod. 12:22.Vers 5 De priester zal ook gebieden, dat men den ene vogel slachte, in een aarden vat, over levend water.7 vat, In hetwelk het bloed van den geslachten vogel druipen moest, en met het water vermengd worden.8 levend water. Versta, dat uit een springende fontein, of lopende rivier moest genomen worden, en levend genaamd wordt, omdat het in het vloeien zich roert, alsof het leefde; Gen. 26:19, en de aantekeningen daarop.Vers 6 Dien levenden vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en den hysop; en zal die, en den levenden vogel dopen in het bloed des vogels, die boven het levende water geslacht is.Vers 7 En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en den levenden vogel in het open veld vliegen laten.9 open veld vliegen laten. Hebreeuws, over het aangezicht des velds uitzenden of loslaten.Vers 8 Die nu te reinigen is, zal zijn klederen wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven.10 maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven. Vergelijk boven de aantekeningen op Lev. 13:46, en Num. 12:14, en Num. 31:19.Vers 9 En op den zevenden dag zal het geschieden, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijn baard, en de wenkbrauwen zijner ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en al zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn.Vers 10 En op den achtsten dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, mitsgaders drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.11 lammeren, Waarvan het ene ten schuldoffer, het andere ten brandoffer geofferd moest worden. Zie onder, Lev. 14:12,19.12 eenjarig volkomen schaap Hebreeuws, ene dochter van haar jaar.13 drie tienden meelbloem Te weten, van een efa, dat is, drie gomer. Zie Exod. 16:36.14 log olie. Een kleine maat van natte waren, houdende vier quadranten, van welke een was de maat van anderhalve eierschaal, zodat een log zes gewone eierschalen heeft gehouden. Het vierde deel van een cab, welke hield vier logen of vier en twintig eierschalen, dat is, zoveel als in vier en twintig eierschalen gaan kan.Vers 11 De priester nu, die de reiniging doet, zal den man, die te reinigen is, en die dingen, stellen voor het aangezicht des Heeren, aan de deur van de tent der samenkomst.Vers 12 En de priester zal dat ene lam nemen, en hetzelve offeren tot een schuldoffer met den log olie; en zal die ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren bewegen.15 beweegoffer Zie boven, Lev. 7:30.Vers 13 Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het schuldoffer, gelijk het zondoffer, is voor den priester; het is een heiligheid der heiligheden.16 heilige plaats; Hebreeuws, plaats der heiligheid. Deze was in den voorhof bij het brandofferaltaar. Zie Exod. 29:11, en boven, Lev. 4:4, en Lev. 6:16,26.17 het is een heiligheid der heiligheden. Zie boven, Lev. 2:3.Vers 14 En de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, hetwelk de priester doen zal op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets.Vers 15 De priester zal ook uit den log der olie nemen, en zal ze op des priesters linkerhand gieten.18 zal ze op des priesters linkerhand gieten. Alzo ook onder, Lev. 14:26, dat is, op zijn eigen hand, en dus niet op de hand desgenen, die gereinigd werd.Vers 16 Dan zal de priester zijn rechtervinger indopen, nemende van die olie, die in zijn linkerhand is, en zal met zijn vinger van die olie zevenmaal sprengen, voor het aangezicht des Heeren.19 [nemende] van die olie, Dit woord wordt hier ingevoegd, volgens zeker gebruik van de Hebreeuwse taal, waarvan te zien is Gen. 12:15.Vers 17 En van het overige van die olie, die in zijn hand zal zijn, zal de priester doen op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets, boven op het bloed des schuldoffers.20 boven op het bloed Dat is, op de plaats, waarop het bloed des schuldoffers tevoren gestreken was. Zie boven, Lev. 14:14, en onder, Lev. 14:28.Vers 18 Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand des priesters geweest is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des Heeren.Vers 19 De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijn onreinigheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten.21 brandoffer slachten. Zie boven, Lev. 14:10.Vers 20 En de priester zal dat brandoffer en dat spijsoffer op het altaar offeren; zo zal de priester de verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn.22 offeren; Hebreeuws, doen opklimmen.Vers 21 Maar indien hij arm is, en zijn hand dat niet bereikt, zo zal hij een lam ten schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe een tiende meelbloem, met olie gemengd, ten spijsoffer, en een log olie;23 en zijn hand [dat] niet bereikt, Dat is, indien hij door zijne armoede zoveel niet kan doen. Zie boven, Lev. 5:7, en onder, Lev. 14:22,30,31,32, enz.Vers 22 Mitsgaders twee tortelduiven, of twee jonge duiven, die zijn hand bereiken zal, welker ene ten zondoffer, en een ten brandoffer zijn zal.24 jonge duiven, Hebreeuws, zonen ener duif. Alzo onder, Lev. 14:30.Vers 23 En hij zal die, op den achtsten dag zijner reiniging, tot den priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des Heeren.25 zijner reiniging, Of, tot zijne reiniging.Vers 24 En de priester zal het lam des schuldoffers, en den log der olie nemen; en de priester zal die ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren bewegen.Vers 25 Daarna zal hij het lam des schuldoffers slachten, en de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, en doen op het rechteroorlapje desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets.Vers 26 Ook zal de priester van die olie op des priesters linkerhand gieten.26 des priesters linkerhand gieten. Dat is, op zijn eigen hand. Zie boven, Lev. 14:15.Vers 27 Daarna zal de priester met zijn rechtervinger van die olie, die op zijn linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor het aangezicht des Heeren.Vers 28 En de priester zal van de olie, die op zijn hand is, doen aan het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en aan den duim zijner rechterhand, en aan den groten teen zijns rechtervoets, op de plaats van het bloed des schuldoffers.Vers 29 En het overgeblevene van de olie, die in de hand des priesters is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen, voor het aangezicht des Heeren.Vers 30 Daarna zal hij de ene van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben.Vers 31 Van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben, zal het een ten zondoffer, en het een ten brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zo zal de priester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht des Heeren.Vers 32 Dit is de wet desgenen, in wien de plaag der melaatsheid zal zijn, wiens hand in zijn reiniging dat niet bereikt zal hebben.27 dat niet bereikt zal hebben. Te weten, wat tot de reiniging der melaatsheid is vereist geweest; boven, Lev. 14:10.Vers 33 Verder sprak de Heere tot Mozes en tot Aäron, zeggende:Vers 34 Als gij zult gekomen zijn in het land van Kanaän, hetwelk Ik u tot bezitting geven zal, en Ik de plaag der melaatsheid aan een huis van dat land uwer bezitting zal gegeven hebben;28 geven zal, Hebreeuws, ben gevende; dat is, zekerlijk geven zal. Vergelijk boven de aantekeningen op Lev. 9:4.Vers 35 Zo zal hij, van wien dat huis is, komen, en den priester te kennen geven, zeggende: Het schijnt mij, alsof er een plaag in het huis ware.29 Het schijnt mij, Dat is, het dunkt mij, of, het doet zich zo aan mijne ogen voor; het huis wordt als zodanig door mij aangezien.Vers 36 En de priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer de priester komt, om die plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is, onrein worde; en daarna zal de priester komen, om dat huis te bezien.30 dat zij dat huis Namelijk, de bewoners van dat huis.31 ruimen, Te weten, met het huisraad daaruit te nemen en weg te dragen. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk iets uit het gezicht weg te doen.Vers 37 Als hij die plaag bezien zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien lager is dan die wand;Vers 38 De priester zal uit dat huis uitgaan, aan de deur van het huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten.Vers 39 Daarna zal de priester op den zevenden dag wederkeren; indien hij merken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis uitgespreid is;Vers 40 Zo zal de priester gebieden, dat zij de stenen, in welke die plaag is, uitbreken, en dezelve tot buiten de stad werpen, aan een onreine plaats;Vers 41 En dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het stof, dat zij afgeschrabd hebben, tot buiten de stad aan een onreine plaats uitstorten.32 stof, Dat is, het afgeschrabde leem, kalk, enz.Vers 42 Daarna zullen zij andere stenen nemen, en in de plaats van gene stenen brengen; en men zal ander leem nemen, en dat huis bestrijken.Vers 43 Maar indien die plaag wederkeert, en in dat huis uitbot, nadat men de stenen uitgebroken heeft, en na het afschrabben van het huis, en nadat het zal bestreken zijn;Vers 44 Zo zal de priester komen; als hij nu zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis uitgespreid is, het is een knagende melaatsheid in dat huis, het is onrein.33 knagende melaatsheid Vergelijk boven, Lev. 13:51.Vers 45 Daarom zal men dat huis, zijn stenen, en zijn hout even afbreken, mitsgaders al het leem van het huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren, aan een onreine plaats.Vers 46 En die in dat huis gaat te enigen dage, als men hetzelve zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.Vers 47 Die ook in dat huis te slapen ligt, zal zijn klederen wassen; insgelijks, die in dat huis eet, zal zijn klederen wassen.34 te slapen ligt, Of, slaapt. Zie Gen. 19:4.Vers 48 Maar als de priester zal weder ingegaan zijn, en zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis niet uitgespreid is, nadat het huis zal bestreken zijn; zo zal de priester dat huis rein verklaren, dewijl die plaag genezen is.35 weder ingegaan zijn, Hebreeuws, ingaande ingegaan; dat is, weder of meermalen ingegaan.Vers 49 Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hysop.36 ontzondigen, Dat is, door offerande te reinigen, en tot een eerlijk of rein gebruik te eigenen. Vergelijk boven, Lev. 8:15, en de aantekeningen daarbij; idem onder, Lev. 14:52,53.37 scharlaken, en hysop. Zie boven, Lev. 14:4.Vers 50 En hij zal den enen vogel slachten in een aarden vat, over levend water.38 over levend water. Zie boven, Lev. 14:5.Vers 51 Dan zal hij dat cederenhout, en dien hysop, en het scharlaken, en den levenden vogel nemen, en zal die in het bloed des geslachten vogels en in het levende water dopen; en hij zal dat huis zevenmaal besprengen.Vers 52 Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels, en met dat levend water, en met den levenden vogel, en met dat cederenhout, en met den hysop, en met het scharlaken.Vers 53 Den levenden vogel nu zal hij tot buiten de stad, in het open veld, laten vliegen; zo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn.39 in het open veld, Hebreeuws, over het aangezicht des velds. Alzo boven, Lev. 14:7.40 over het huis verzoening doen, Dat is, het huis ontzondigen, Lev. 14:49; zie daarop de aantekeningen en deze manier van spreken, Exod. 29:37; onder, Lev. 16:16,33; Ezech. 45:20.Vers 54 Dit is de wet voor alle plage der melaatsheid, en voor schurftheid;Vers 55 En voor melaatsheid der klederen, en der huizen;Vers 56 Mitsgaders voor gezwel, en voor gezweer, en voor blaren;Vers 57 Om te leren, op welken dag iets onrein, en op welken dag iets rein is. Dit is de wet der melaatsheid.41 Om te leren, Te weten, den priester, en door den priester het volk.