Besnijdenis door Jozua te Gilgal
Vers 2 Te dier tijd sprak de Heere tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd wederom de kinderen Israëls ten tweeden maal.3 stenen messen, Anders, scherpe messen. Hebreeuws, zwaarden, of messen van rotsen, gelijk Exod. 4:25.4 besnijd wederom Hebreeuws, keer weder, besnijd; dat is, besnijd wederom; een Hebreeuwse manier van spreken. Zie Num. 11:4; Ps. 85:7; Ezech. 8:6. De besnijdenis is eerst bevolen aan Abraham en zijn zaad, en daarin gecontinueerd tot in Egypte, waar diegenen welken uit Egypte getogen zijn, ook waren besneden. Maar alzo aan diegenen, die in de woestijn geboren zijn, de besnijdenis niet was geschied, zo wordt hierdoor Gods bevel aan dezen hervat.Vers 3 Toen maakte zich Jozua stenen messen, en besneed de kinderen Israëls op den heuvel der voorhuiden.5 besneed Te weten, diegenen, die nog niet besneden waren, welke zij waren, die in de woestijn geboren waren.6 heuvel der voorhuiden. Enigen behouden het Hebreeuwse woord Araloth in den tekst, betekende voorhuiden, omdat de voorhuiden van de kinderen Israëls daar besneden waren.Vers 4 Dit nu was de oorzaak, waarom hen Jozua besneed: al het volk, dat uit Egypte getogen was, de manspersonen, alle krijgslieden, waren gestorven in de woestijn, op den weg, nadat zij uit Egypte getogen waren.Vers 5 Want al het volk, dat er uittoog, was besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn op den weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.7 zij niet besneden. Te weten, de ouders. Dit is nagebleven, of door sloffigheid en onachtzaamheid; of omdat zij niet wisten wanneer zij voortreizen zouden, en het den pas-besnedenen zwaar zou gevallen hebben, ja ook gevaarlijk, voort te reizen.Vers 6 Want de kinderen Israëls wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het ganse volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren; die de stem des Heeren niet gehoorzaam geweest waren, denwelken de Heere gezworen had, dat Hij hun niet zoude laten zien het land, hetwelk de Heere hun vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig.8 Hij Te weten, God de Heere.Vers 7 Maar hun zonen heeft Hij aan hun plaats gesteld; die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden; want zij hadden hen op den weg niet besneden.Vers 8 En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren.9 totdat zij genezen waren. Hebreeuws, totdat zij leefden; gelijk Num. 21:8.Vers 9 Verder sprak de Heere tot Jozua: Heden heb Ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld; daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag.10 den smaad Alzo noemt hij de voorhuid, die de Israëlieten aan hun kinderen gelaten hadden, hierin meer het exempel der onbesneden Egyptenaars navolgende dan het bevel Gods. Zie Jer. 9:25,26. Sommigen verstaan door den smaad van Egypte, den smaad, dien de Egyptenaars God en zijn volk zouden opgelegd en nagezegd hebben, indien zij buiten het land Kanaän hadden moeten blijven. Zie Deut. 9:28.11 van ulieden afgewenteld; Hebreeuws, van op ulieden; dat is, die op ulieden lag.12 Gilgal, Dat is, rolling, afwenteling; omdat door de besnijdenis de schande van de Israëlieten afgewenteld is.13 tot op dezen dag. Te weten, blijft deze naam, of houdt die plaats dezen naam.