Jozua's dood
Vers 29 En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht des Heeren, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren.31 oud zijnde Hebreeuws, een zoon van honderd en tien jaren.Vers 30 En zij begroeven hem in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-serah, welke is op een berg van Efraïm, aan het noorden van den berg Gaas.32 Timnath-serah, Anders genoemd Timnath-Heres; Richt.2:9.Vers 31 Israël nu diende den Heere al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk des Heeren wisten, hetwelk Hij aan Israël gedaan had.33 die lang Hebreeuws, die hun dagen verlengden na Jozua. Zie Exod. 20:12.34 wisten, Versta hier degenen, die met Jozua het volk geregeerd en hem overleefd hadden. Zie Richt. 2:7.Vers 32 Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.35 te Sichem, Versta dit als boven, Joz. 24:1; want hier volgt dat Jozefs beenderen begraven zijn in het stuk veld, enz., welk stuk veld in de stad Sichem niet lag, gelijk af te nemen is uit Gen. 33:18.36 honderd stukken gelds, Zie Gen. 33:19, en de aantekeningen daarop. Stefanus, Hand. 7:16, zegt: Voor den prijs des zilvers.37 zij waren aan de kinderen Te weten, dat stuk veld en de begrafenis die daarin was.Vers 33 Ook stierf Eleazar, de zoon van Aäron; en zij begroeven hem op den heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte van Efraïm.