Advertentie

Jozua 24:1-28

28 verzen · 30 kanttekeningen · Statenvertaling

Jozua vernieuwt het verbond met Israël te Sichem

Vers 1 Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en deszelfs hoofden, en deszelfs richters, en deszelfs ambtlieden; en zij stelden zich voor het aangezicht van God.1 te Sichem, Dat is, naar sommiger mening, te Silo, hetwelk in het land van Sichem ligt, want aldaar was de tabernakel. Versta dit ook alzo onder, Joz. 24:32. Doch anderen menen dat Jozua de ark zou hebben laten brengen van Silo naar de stad Sichem, op dezen landdag, gelijk zulks wel meer geschied is, onder Eli, Samuël, Saul en David.2 voor het aangezicht Dat is, voor den tabernakel, in welken God woonde.Vers 2 Toen zeide Jozua tot het ganse volk: Alzo zegt de Heere, de God Israëls: Over gene zijde der rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, namelijk Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.3 tot het ganse volk: Zie boven, Joz. 23:2.4 der rivier Versta, de rivier Eufraat, en alzo onder, Joz. 24:3,14,15.Vers 3 Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde der rivier, en deed hem wandelen door het ganse land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak.Vers 4 En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen togen af in Egypte.5 Jakob Hier wordt Ezau de eerstgeborene niet eerst genoemd, maar Jakob. Zie dergelijks ook Gen. 11:26, en 1 Kron. 1:28, en Joz. 24:5.Vers 5 Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit.Vers 6 Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.Vers 7 Zij nu riepen tot den Heere, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond.6 uw ogen hebben gezien, Dit is te verstaan van velen dergenen, die onder de twintig jaren oud waren toen zij uit Egypte togen, want die daarboven waren [uitgenomen Kaleb en Jozua] waren allen in de woestijn gestorven.Vers 8 Toen bracht Ik u in het land der Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en gij bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht.Vers 9 Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, den zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou.7 hij streed Dat is, wilde, of gedacht te strijden. Zie Richt. 11:25; vergelijk Joh. 10:32,33, waar stenigen voor willen stenigen gebruikt wordt; zodat het schijnt dat dit te verstaan is van Balaks vijandelijk gemoed, hetwelk hij tegen Israël heeft betoond, eerst toen hij hen door Bileam heeft willen doen vervloeken; daarna, toen hij door de Moabietische vrouwen de Israëlieten tot hoererij, daarna tot afgoderij heeft gebracht, en alzo den toorn Gods over hen heeft doen komen, door Bileams raad.Vers 10 Maar Ik wilde Bileam niet horen; dies zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand.Vers 11 Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand.8 krijgden Te weten, die van Jericho met toesluiting zijner poorten; maar die natiën, die daarna genoemd worden, met wapenen.9 burgers van Jericho Of, de heren, of mannen.Vers 12 En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, gelijk de beide koningen der Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog.10 horzelen Hebreeuws, de horzel.11 gelijk Hij wil zeggen: gelijk gij tevoren de beide koningen der Amorieten verdreven hebt, te weten Sihon en Og. Zie onder, Joz. 24:18.12 uw zwaard,, boog. Versta hieronder ook alle andere wapenen, gelijk Gen. 48:22; Ps. 7:13, en Ps. 44:4,7. De zin dezer woorden is dat hun zwaarden en bogen tevergeefs zouden geweest zijn, ten ware God de Heere hun vijanden had verdelgd.Vers 13 Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt.13 en steden, Joz. 11:13 staat dat de Israëlieten geen steden verbrandden dan Hazor alleen. Dit is daarom geschied, opdat de kinderen Israëls huizen en steden zouden vinden, om te wonen.14 wijngaarden Dat is, van de vruchten der wijngaarden, en van de olijven, die op de bomen gewassen zijn. Zie dergelijke manier van spreken Gen. 3:12; Openb. 1:7.Vers 14 En nu, vreest den Heere, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan gene zijde der rivier, en in Egypte; en dient den Heere.15 in oprechtheid Dat is, oprechtelijk, van ganser harte, zonder bedrog.16 uw vaders Te weten, Therah, Nahor, enz., ja ook Abraham, eer God de Heere hem uit Ur der Chaldeën geroepen heeft.Vers 15 Doch zo het kwaad is in uw ogen den Heere te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den Heere dienen!17 Doch zo Jozua stelt het den Israëlieten niet vrij, God te dienen of niet; maar dit zegt hij opdat zij vrij en ongedwongen zouden verklaren wat zij te doen gezind waren, en opdat zij des te vaster zouden verbonden blijven God te dienen, nadat zij zulks vrijwillig aangenomen hadden te doen. Zie dergelijke manier van spreken, Ruth 1:8,15.Vers 16 Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, dat wij den Heere verlaten zouden, om andere goden te dienen.18 Het zij verre Hebreeuws, het zij ons verre van te verlaten.Vers 17 Want de Heere is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg, door welken wij getogen zijn, en onder alle volken, door welker midden wij getrokken zijn.Vers 18 En de Heere heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen ook den Heere dienen, want Hij is onze God.19 ook den HEERE dienen, Te weten, zowel als gij en uws vaders huis.Vers 19 Toen zeide Jozua tot het volk: Gij zult den Heere niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven.20 Gij zult Te weten, indien gij de vreemde goden bij u behoudt, vermengende den valsen godsdienst met den waren godsdienst, gelijk Joz. 24:23 af te nemen is.21 heilig God; Hebreeuws, Elohim Kedoschim hu. Zie hiervan Gen. 20:13.22 vergeven. Hebreeuws, wegnemen; gelijke manier van spreken zie Gen. 50:17. Anders, niet verdragen.Vers 20 Indien gij den Heere verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben.Vers 21 Toen zeide het volk tot Jozua: Neen, maar wij zullen den Heere dienen.23 Neen, Versta hierbij, wij zullen den Heere niet verlaten.Vers 22 Jozua nu zeide tot het volk: Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den Heere verkoren hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.Vers 23 En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot den Heere, den God van Israël.24 vreemde goden weg, Te weten de goden der vreemdelingen. Uit deze woorden is te zien, ofschoon er openlijk geen afgoderij is geduld geweest, dat er nochtans enigen onder de Israëlieten in dezen tijd waren, die de afgoden in het verborgen bij zich hadden, en die eerden en dienden. Zie Amos 5:25,26; Hand. 7:43. Zie ook Gen. 35:2.Vers 24 En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den Heere, onzen God, dienen, en wij zullen Zijner stem gehoorzamen.Vers 25 Alzo maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem.25 Alzo maakte Jozua Dat is, hij vernieuwde en bevestigde het verbond, hetwelk God met het volk Israëls had opgericht.26 te Sichem. Zie boven, Joz. 24:1.Vers 26 En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des Heeren was.27 woorden Dat is, de woorden van dit verbond.28 den eik, Van dezen eik zie Richt. 9:6.Vers 27 En Jozua zeide tot het ganse volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen des Heeren, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uw God niet liegt.29 want hij heeft Dat is, hij is daar tegenwoordig geweest. Den steen, die geen gevoel heeft, wordt hier gevoel toegeschreven. Alzo staat er: Hoort, gij hemelen en gij aarde, Jes. 1:2, en Deut. 32:1. De hemelen vertellen de ere Gods, Ps. 19:2. De stenen zullen roepen, Luk. 19:40.30 niet liegt. Maar houdt en doet wat gij hem beloofd hebt.Vers 28 Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel.

Lees heel Jozua 24

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.