Jozua 21:1-45

De steden der Levieten

Vers 1 Toen naderden de hoofden der vaderen van de Levieten tot Eleazar, den priester, en tot Jozua, den zoon van Nun, en tot de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels;Vers 2 En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaan, zeggende: De Heere heeft geboden door den dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten.Vers 3 Daarom gaven de kinderen Israels aan de Levieten van hun erfdeel, naar den mond des Heeren, deze steden en de voorsteden derzelve.Vers 4 Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kahathieten; en voor de kinderen van Aaron, den priester, uit de Levieten, waren van den stam van Juda, en van den stam van Simeon, en van den stam van Benjamin, door het lot, dertien steden.Vers 5 En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van Efraim, en van den stam van Dan, en van den halven stam van Manasse, tien steden.Vers 6 En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden.Vers 7 Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden.Vers 8 Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, gelijk de Heere geboden had door den dienst van Mozes.Vers 9 Verder gaven zij van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde;Vers 10 Dat zij waren van de kinderen van Aaron, van de huisgezinnen der Kahathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne.Vers 11 Zo gaven zij hun de stad van Arba, den vader van Anok (zij is Hebron), op den berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar.Vers 12 Maar het veld der stad en haar dorpen, gaven zij aan Kaleb, den zoon van Jefunne, tot zijn bezitting.Vers 13 Alzo gaven zij aan de kinderen van den priester Aaron de vrijstad des doodslagers, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden;Vers 14 En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden;Vers 15 En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;Vers 16 En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.Vers 17 En van den stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;Vers 18 Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.Vers 19 Al de steden der kinderen van Aaron, de priesteren, waren dertien steden en haar voorsteden.Vers 20 De huisgezinnen nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van den stam van Efraim.Vers 21 En zij gaven hun Sichem, een vrijstad des doodslagers, en haar voorsteden, op den berg Efraim, en Gezer en haar voorsteden;Vers 22 En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.Vers 23 En van den stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden;Vers 24 Ajalon en haar voorsteden, Gath-rimmon en haar voorsteden: vier steden.Vers 25 En van den halven stam van Manasse, Thaanach en haar voorsteden, en Gath-rimmon en haar voorsteden: twee steden.Vers 26 Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden.Vers 27 En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen der Levieten, van den halven stam van Manasse, de vrijstad des doodslagers, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beesthera en haar voorsteden: twee steden.Vers 28 En van den stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden;Vers 29 Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.Vers 30 En van den stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;Vers 31 En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.Vers 32 En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.Vers 33 Al de steden der Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en haar voorsteden.Vers 34 Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van den stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden;Vers 35 Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.Vers 36 En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;Vers 37 Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden.Vers 38 Van den stam van Gad nu, de vrijstad des doodslagers, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden;Vers 39 Hesbon en haar voorsteden, Jaezer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.Vers 40 Al die steden waren van de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen der Levieten; en hun lot was twaalf steden.Vers 41 Al de steden der Levieten, in het midden van de erfenis der kinderen Israels, waren acht en veertig steden en haar voorsteden.Vers 42 Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.Vers 43 Alzo gaf de Heere aan Israel het ganse land, dat Hij gezworen had hun vaderen te geven, en zij beerfden het, en woonden daarin.Vers 44 En de Heere gaf hun rust rondom, naar alles, wat Hij hun vaderen gezworen had; en er bestond niet een man van al hun vijanden voor hun aangezicht; al hun vijanden gaf de Heere in hun hand.Vers 45 Er viel niet een woord van al de goede woorden, die de Heere gesproken had tot het huis van Israel; het kwam altemaal.

Advertentie

Liever lezen zonder advertenties? Lees meer over Plus