De wonderbare spijziging
Vers 1 Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea, welke is de zee van Tiberias.1 over de zee van Galilea, Dat is, over een schoot of inham van het meer; want Bethsaïda lag aan dezelfde zijde van het meer waar Tiberias aan lag. Zie Matth. 14:13; Luk. 9:10.2 zee van Tiberias. Van deze zee zie breder Matth. 4:18; Luk. 5:1.Vers 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken.3 volgde een grote Namelijk te land. Zie Matth. 14:13.Vers 3 En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met Zijn discipelen.4 den berg, Namelijk die bij Bethsaïda lag.Vers 4 En het pascha, het feest der Joden, was nabij.5 het pascha, Dit was het derde pascha na den doop van Christus. Van het eerste zie Joh. 2:13, en van het tweede Joh. 5:1.Vers 5 Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?6 Van waar zullen Of, waarvan.Vers 6 (Doch dit zeide Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.)7 wist Zelf, Dat is, had nu al bij Zichzelven besloten.Vers 7 Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme.8 penningen brood Grieks denariën; dat is, schellingen of realen. Zie Matth. 18:28.Vers 8 Een van Zijn discipelen, namelijk Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem:Vers 9 Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?9 visjes; maar Grieks eigenlijk gebraden visjes.Vers 10 En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal.10 nederzitten. Grieks nedervallen; naar het gebruik der ouden, die op den elleboog liggende aten.11 gras in die Namelijk groen gras; Mark. 6:39.12 vijf duizend Namelijk boven de vrouwen en kinderen; Matth. 14:21.Vers 11 En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden.13 gedankt hebbende, Dat is, met dankzegging die gezegend hebbende. Zie Luk. 9:16.14 zij wilden. Namelijk de scharen, gelijk uit het volgende blijkt.Vers 12 En als zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga.15 verzadigd waren, Grieks vervuld.Vers 13 Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden.Vers 14 De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.16 de Profeet, Die Namelijk van welken Mozes geprofeteerd heeft; Deut. 18:15,18.17 komen zou. Grieks komt.Vers 15 Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen.18 koning maakten, Namelijk een werelds koning, hoedanig zij verkeerdelijk meenden dat de Messias moest zijn.19 ontweek wederom Namelijk om te tonen dat zijn koninkrijk van deze wereld niet was; Joh. 18:36.