Verschijning van Jezus aan de zee van Tibérias
Vers 1 Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus:1 aan de zee van Van deze zee of meer zie de aantekeningen Matth. 4:18, alwaar zij genaamd wordt de zee van Galilea, waarheen Christus Zijne discipelen belast had na Zijn dood te vertrekken, met belofte dat zij Hem daar wederom levend zouden zien; Matth. 28:10.Vers 2 Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanaël, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeüs, en twee anderen van Zijn discipelen.2 gezegd Didymus, Namelijk in de Griekse taal. Zie Joh. 11:16.3 Nathanaël, Een vermaard discipel van Christus, een van de eersten; Joh. 1:46, enz.4 de zonen van Namelijk Jakobus en Johannes; Matth. 10:2.5 van Zijn discipelen. Grieks uit.Vers 3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.6 traden terstond Grieks klommen op.Vers 4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.7 wisten niet, Het schijnt dat hunne ogen hier voor een tijd gehouden zijn geweest, gelijk Luk. 24:16, want zij waren niet ver van den oever, Joh. 21:8.Vers 5 Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.8 toespijs? Daardoor wordt verstaan al wat tot brood gegeven wordt, en voornamelijk vis.Vers 6 En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.9 aan de rechterzijde Dat is, aan het stuurboord van het schip. Want dat is aan de rechterhand van Hem, die aan het roer staat.Vers 7 De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt), en wierp zichzelven in de zee.10 liefhad, zeide Dat is, Johannes. Zie Joh. 21:20,24.11 het opperkleed Grieks Ependytus; hetwelk een kleed betekent, dat men boven de andere aandoet. Sommigen menen dat dit een linnen overtreksel geweest is, hetwelk hij omgord heeft om beter te kunnen zwemmen, of door het water te gaan, alzo Hij niet ver van het land was.12 naakt), en Namelijk eer hij het aantrok; niet wel geheel alzo hij zonder twijfel iets aangehad heeft om zijne schaamte te bedekken.Vers 8 En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen.13 ellen), Grieks cubiten; dat is, omtrent zestig schreden, elke schrede van vijf voeten. Zie Matth. 6:27.14 slepende het Namelijk naar het land, omdat het te zwaar was, in het schip op te trekken.Vers 9 Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.15 vis daarop Grieks opsarion; wat dit woord eigenlijk betekent zie Joh. 6:9.Vers 10 Jezus zeide tot hen: Brengt van den vissen, die gij nu gevangen hebt.Vers 11 Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet.16 zo scheurde Hetwelk geschied is door de goddelijke kracht van Christus, om het wonderwerk te vergroten.Vers 12 Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was.17 durfde Hem Namelijk uit schaamte, om niet te schijnen meer te twijfelen dat Hij waarlijk opgestaan was.Vers 13 Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks.Vers 14 Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.18 Zijn discipelen Namelijk allen, of vele discipelen bijeenvergaderd zijnde; want Hij had zich in het bijzonder aan den een en den ander meermalen geopenbaard. Zie hiervoor Joh. 20:19,26.