De verloochening van Petrus
Vers 17 De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet.24 zeide tot Petrus: Namelijk als zij Hem daarna bij het vuur zag staan; Luk. 22:56.Vers 18 En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.25 de dienaars stonden, Dezen schijnen geweest te zijn de dienaars van het gericht of van den Raad der Joden.26 koud was, en Grieks koude.Vers 19 De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer.27 van Zijn discipelen, Dat is, wie zij waren, hoeveel, en waartoe Hij discipelen vergaderde; of het niet was om oproer en aanhang te maken.28 leer. Namelijk of die niet verschilde van de leer van Mozes, of der Farizeën.Vers 20 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.29 tot de wereld; Dat is, tot de menigte van al het volk.30 van alle plaatsen Anderen lezen allen tijd, en somwijlen alle.31 in het verborgen Namelijk gelijk plachten te doen die oproer willen maken, of het volk met valse leer verleiden.Vers 21 Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.Vers 22 En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester?32 een kinnebakslag, Of, enen slag met een stok, of roede.Vers 23 Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?33 betuig van Dat is, bewijs waarin Ik kwalijk gesproken heb.Vers 24 (Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, den hogepriester.)34 gezonden tot Zie hiervoren Joh. 18:13.Vers 25 En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.35 Zij zeiden dan Namelijk die daar tegenwoordig waren; hetwelk van ene dienstmaagd eerst is begonnen, Joh. 18:17, en daarna van enige anderen mede geschied is. Zie Mark. 14:69.Vers 26 Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem?Vers 27 Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.36 kraaide de haan. Namelijk voor de tweede maal, tegen het aankomen des dageraads; Mark. 14:72.