Johannes 13:21-30
Ontmaskering van Judas
Vers 21 Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.Vers 22 De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende, van wien Hij dat zeide.Vers 23 En een van Zijn discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad.Vers 24 Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch ware, van welken Hij dit zeide.Vers 25 En deze, vallende op de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heere, wie is het?Vers 26 Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot.Vers 27 En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk.Vers 28 En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zeide.Vers 29 Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop, hetgeen wij van node hebben tot het feest, of, dat hij den armen wat geven zou.Vers 30 Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En het was nacht.