Advertentie

Job 15

35 verzen · 72 kanttekeningen · Statenvertaling

Elífaz beschuldigt Job van goddeloosheid

Vers 1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:Vers 2 Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?1 wijs man Te weten, waarvoor gij uzelven uitgeeft.2 winderige Hebreeuws, wetenschap des winds; dat is, die niet vast of zeker is, maar vergaande en verwaaiende. Vergelijk boven, Job 7:7, en de aantekening.3 buik Dat is, zijn binnenste, of verborgenste, te weten, zijn zin, hart en gemoed; alzo onder, Job 15:35, en Job 20:20, en Job 32:19; Spreuk. 20:27, en Spreuk. 22:18, gelijk in den buik de darmen met ander ingewand gesloten en verborgen zijn, alzo zijn in de ziel de gedachten, de wil en bewegingen.4 oostenwind? Dat is met woorden en redenen, die niet alleen ijdel en licht zijn als de wind, maar ook schadelijk als in dat land de oostenwind. Zie Gen. 41:6; Exod. 10:13, en de aantekening.Vers 3 Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?Vers 4 Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.5 de vreze, Te weten, Gods, mits die door uw redenen uit de harten der mensen te verdrijven, en in dezelve te verzwakken de genegenheid om Hem in den nood aan te roepen. Hij schijnt te zien op hetgeen Job gezegd had, boven, Job 9:22.6 neemt Of, vermindert, verhindert.7 het gebed Of, aanspraak. Versta, gebed, hetwelk met een nederig gemoed, in den nood tot God uitgesproken wordt, om voor Hem zijn klachten uit te storten en van Hem hulp te verzoeken.Vers 5 Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.8 mond Het woord mond, gelijk ook tong in Job 15:5, en lippen in het volgende, betekenen de woorden en redenen, die door mond, tong en lippen uitgesproken worden. Alzo onder, Job 16:5; Ps. 5:10; Spreuk. 2:6, en Spreuk. 14:3, en Spreuk. 15:2, en Spreuk. 18:7, en Spreuk. 21:6, enz.9 leert Dat is, geeft getuigenis van de verkeerdheid uws harten, door welke gij deze vreemde redenen drijft. Anders, uw ongerechtigheid leert uw mond; dat is, de boosheid uws harten doet u zulke redenen spreken.10 uw ongerechtigheid, Te weten, waardoor gij in het spreken aangenomen hebt de manier van doen der node schalken, die met een schijn, zowel van woorden als van redenen, een zaak weten te bewimpelen, verduisteren en om te keren.Vers 6 Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.Vers 7 Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht?11 de eerste Dat is, de oudste van alle mensen, zulks dat gij meer weten zoudt dan iemand, en dat een ieder voor u zou moeten wijken als voor den oudste, den wijste en aanzienlijkste.12 de heuvelen Dat is van eeuwigheid geweest, of eer de wereld geschapen was; vergelijk Ps. 90:2; Spreuk. 8:25.13 voortgebracht? Het Hebreeuwse woord is gebruikt van de ordinaire geboorte des mensen, Ps. 51:7, en van de wonderbare geboorte des Eniggeborenen van den Vader, die de wijsheid Gods is; Spreuk. 8:24,25.Vers 8 Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?14 gehoord, Te weten, dat gij alle hemelse en goddelijke verborgenheden zoudt weten, meer dan een ander. Den raad Gods horen, heet Jeremia, in den raad Gods staan; Jer. 23:22.15 naar u getrokken? Te weten, alzo, dat gij haar alleen bij u zoudt hebben, en niemand anders.Vers 9 Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?Vers 10 Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.16 meerder van dagen Dat is, bedaagder, of ouder van jaren. Hij ziet op hetgeen Job gezegd heeft, boven, Job 12:12.Vers 11 Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?17 vertroostingen Gods Te weten, die wij u voorgehouden hebben; maar die Job verachtte, onder, Job 16:2.18 klein, Dat is, te slecht en te onwaardig om uw persoon voorgesteld te worden.19 schuilt Dat is, is er enige meerdere wetenschap bij u, die wij niet vatten; of voordeel, om der oudere vermaningen te mogen verwerpen? of ook enige snoodheid, achter welke wij niet kunnen geraken, waardoor gij onze redenen zo onwaardiglijk veracht? Of, is er iets dat [dezelve], te weten, vertroostingen, bij u bedekt?Vers 12 Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?20 rukt Te weten, om God zo te tergen, uzelven te rechtvaardigen en ons te versmaden.21 waarom Tot teken van hoogmoed. Anders, waarop mikken uw ogen? Dat is, waarheen zien, wat zoeken zij? Wat hebt gij voor, dat gij met een zo verwaand opzet en opzicht ons bejegent? en schijnt onze redenen gans te verachten?Vers 13 Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.22 uw geest Dat is, uw gemoed door ongeduldigheid ontstelt en door gramschap met kwade rechten laat uitvaren tegen God. Anders, dat uw geest mort tegen God, en [zulke] redenen uit uw mond voortbrengt.Vers 14 Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?23 is de mens, De zin is, dat hij gans niets is en geen stof heeft om zich voor zuiver en rechtvaardig uit te geven. De vraag loochent sterkelijk; zie Gen. 18:17.Vers 15 Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.24 heiligen Dat is, de goede engelen, die boven, Job 1:6 worden genaamd Gods zonen. Idem Job 4:18, zijn knechten, en Tim. 5:21, de uitverkoren engelen. Zij worden heiligen genaamd, omdat zij volkomenlijk Gods wil doen, Ps. 103:20; Matth. 6:10, en dienvolgens Hem volkomenlijk liefhebben.25 zou Hij niet Zie boven, Job 4:18.26 de hemelen Dat is, de voorgemelde goede engelen, wier woonstede in de hemelen is; waarom zij ook engelen der hemelen genaamd worden, Matth. 24:36; en worden gezegd aldaar het aangezicht des hemelsen Vaders te aanschouwen; Matth. 18:10.Vers 16 Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?27 een man Of, een mens. Zie boven, Job 12:10, maar het schijnt dat Elifaz hier liever het woord man gebruikt heeft, om Job daarmede een neep te geven.28 onrecht Dat is, met zulken lust en overmatigheid de boosheid doende, gelijk de mensen en beesten, dorstig zijnde, zeer begerig zijn om te drinken. Vergelijk onder, Job 34:7; Spreuk. 26:6.Vers 17 Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;29 wijzen, Te weten, dat het waar is, hetgeen ik gezegd heb, dat de goddelozen alleen van God uitgeroeid worden. Zie boven, Job 4:7,8.30 en hetgeen Anders, want ik heb het gezien, daarom zal ik het vertellen.Vers 18 Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;31 hunne vaderen Versta, van de wijze vaderen. De zin is, dat de wijzen zulks van hand tot hand ontvangen, en van hun voorouders gehoord hadden.Vers 19 Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging.32 gegeven was, Te weten, van de volken des lands, om dat te regeren door hun wijsheid en groot aanzien, want denzulken werd in de vorige tijden de regering der landen toevertrouwd en overgegeven.33 door welker Dat is, door wier land geen vreemde volken vijandiglijk passeerden. De zin is, dat de wijzen zo wel geregeerd hebben, dat hun landen door geen buitenvolken zijn beroerd geweest. Of, geen vreemde; dat is, die enige andere of vreemde leer in hun land brachten, gelijk de wijze oudvaders leerden.Vers 20 Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.34 Te allen dage Dat is, den gansen tijd zijns levens. Hier begint Elifaz te verhalen hetgeen de oude en wijze mannen voor een lering nagelaten hadden, zeer overeenkomende met hetgeen hij voorgedragen heeft, boven, Job 5:3, enz.35 doet de goddeloze De zin is: Hoewel de bozen uiterlijk welvaren in deze wereld, dat zij nochtans ongelukkig zijn vanwege de inwendige onrust huns gemoeds.36 [weinige] Hebreeuws, een getal der jaren; inplaats van jaren des getals. Dat is, weinige, die licht kunnen geteld worden; gelijk Gen. 34:30. Zie de aantekening. De boze heeft tweeërlei plagen; de ene dat hij in zijn tijdelijk geluk nimmermeer gerust is; de andere, dat zijn voorspoed niet lang duurt. Anderen zetten het laatste van Job 15:20 aldus over: En het getal der jaren, te weten, zijns levens, is voor den tiran verborgen.37 weggelegd. Te weten, in Gods eeuwigen raad, die voor de mensen verborgen is.Vers 21 Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.38 der verschrikkingen Te weten, die hem zijn conscientie zal aanjagen, hem voorstellende zijn boosheden en dreigende met Gods rechtvaardig oordeel. Vergelijk Lev. 26:36, en Deut. 28:65.39 den vrede Dat is, in het midden van zijn welstand en rust. Zie van het woord vrede, Gen. 37:14.Vers 22 Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.40 duisternis Dat is, lijden en tegenspoed. Zie Gen. 15:12. Alzo onder, in het volgende en Job 15:30.41 maar dat hij Dat is, hij gelooft dat hem lagen gelegd worden om hem een geweldigen dood aan te doen.Vers 23 Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.42 Hij zwerft Dat is, hij is in gedurige onrust en woeling, om den kost en de verzorging des lichaams; hier intussen overtuigt hem ook zijn gemoed dat zijn verderf nabij is.43 dat bij zijn hand Dat is, dat hem voorhanden is en staat te verwachten.44 de dag Dat is, de tijd des lijdens. Vergelijk onder, Job 30:16, en de aantekening daarop.Vers 24 Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.45 overweldigt hem, Te weten, de benauwdheid.46 strijde. Men houdt dat het Hebreeuwse woord chidor, hetwelk nergens meer dan hier gevonden wordt, zeer hetzelfde is als caddur, betekenende een bal, Jes. 22:18, en dat chidor anders niet zou betekenen dat een heir, zo in orde gesteld dat het in rondigheid den vorm van een bal of ei had, gelijk zij dan in die tijden hun heiren plachten te ordineren.Vers 25 Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.47 hij strekt Dat is, door een trots opzet en moedwillig bedrijf stelt hij zich met al zijn macht tegen God, hem tergende door allerlei gruwelen, en de mensen, doch voornamelijk de vromen, door velerlei overlast verdrukkende, zonder God enigszins te ontzien; wiens oordelen hij meent door louter geweld van zich te zullen afkeren. Vergelijk Lev. 26:21; Num. 15:30, en de aantekening.48 Almachtige Zie van dezen naam Gods Gen. 17:1.Vers 26 Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden;49 Hem aan Namelijk, God.50 den hals, Te weten, opgeheven en uitgestrekt, gelijk de stouten, verwaanden en hoogmoedigen plegen te doen.51 zijn dikke, Dat is, met zijn wapenen en geweld, en al zijn uiterlijke middelen. Hebreeuws, met de dikte [en] hoogten, of ruggen zijner schilden.Vers 27 Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;52 zijn aangezicht Dat is, zijn lichaam door lekkernij, gulzigheid en allerlei overdaad opgemest heeft, niets anders dan den buik bezorgende. Vergelijk Ps. 17:10, en Ps. 73:7.53 de weekdarmen; Het Hebreeuwse woord betekent de darmen, die bij de Latijnen ilia genaamd worden, en van ons overgezet worden weekdarmen; Lev. 3:4. Zie aldaar de aantekening.Vers 28 En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.54 steden, Te weten, die door zijn macht weder oprichtende en herbouwende, om zich een naam te maken en zijn geweld tentoon te stellen; zie boven, Job 3:14.Vers 29 Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.55 rijk worden, Te weten, voor een langen tijd; want zijn goederen zullen hem niet beklijven, gelijk de volgende woorden verklaren.56 hun volmaaktheid Dat is, der bozen heerlijkheid, rijkdom en verheven staat, waardoor zij schenen volmaakt te wezen.Vers 30 Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.57 duisternis Te weten, der ellende en katijvigheden, als hij eenmaal in deze zal gekomen zijn; zie boven, Job 15:22.58 vlam Te weten, der tegenheden en plagen. Alzo Jes. 29:6, en Jes. 43:2; Jer. 48:45; Klaagl. 2:3.59 wijken Dat is, vergaan en teniet worden. Of, hij zal moeten afhouden van hem, tegen welken hij zich gesteld had; zie boven, Job 15:25.60 het geblaas Dat is, voor Gods toorn; zie boven, Job 4:9, en de aantekening.Vers 31 Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.61 ijdelheid, [waardoor] Dat is, op alle dingen, die lichtelijk vergaan, als eer, staat, rijkdom, sterkte, steden, mensen, enz. Alzo is het woord ijdelheid genomen, Ps. 62:10, en Ps. 119:37, en Ps. 144:4; Spreuk. 31:30; Rom. 8:20.62 ijdelheid zal zijn Dat is, verdriet, ondergang, verderf en nietigheid; want dit zal de beloning wezen van al de voorgaande ijdelheid, bestaande in eer, rijkdom, geweld, enz., dat zij hem niet zal kunnen verlossen uit de hand Gods, ja ten verderve dienen zal. Zie van deze betekenis des woords ijdelheid boven, Job 7:3.63 vergelding Hebreeuws, verandering, verwisseling.Vers 32 Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen.64 zijn dag Te weten, den dag zijns doods, gelijk 1 Sam. 26:10; Ps. 37:13, tot welken hij natuurlijkerwijze had kunnen geraken. De zin is, dat de goddeloze als hij in het beste zijns levens is en in goeden welstand naar het lichaam, haastelijk en door enig onverwacht ongeluk zal vergaan, of uitgeroeid worden. Vergelijk onder, Job 18:20, en de aantekening.65 zal hij Te weten, de voorverhaalde vergelding.Vers 33 Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom.66 Men zal Anders, [God] zal zijn ontijdige druiven afrukken. Deze gelijkenissen leren dat de verwachting der goddelozen, waarmede zij zich en anderen bedriegen, gans teniet worden zal. Zie boven, Job 8:13.Vers 34 Want de vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken.67 huichelaren Zie boven, Job 8:13.68 het vuur Te weten, der tegenheden, ellenden en plagen. Alzo wordt het woord vuur gebruikt, Ps. 66:12; Jes. 9:18, en Jes. 26:11; Ezech. 30:8, enz., gelijk het woord vlam, boven, Job 15:30.69 tenten Dat is, waarin geschenken ontvangen zijn, en die door middel van onbehoorlijke geschenken opgebouwd zijn en onderhouden worden.Vers 35 Zij ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan.70 Zij ontvangen Vergelijk boven, Job 4:8.71 ijdelheid, Of, ongerechtigheid, ondeugd, onrecht.72 buik Dat is, hun hart. Zie boven, Job 15:2.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.