Vredeboden verkondigen Sions heil
Vers 1 Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.1 trek uw sterkte Dat is, grijp moed; heb courage; zie Jes. 51:17.2 o Sion; Dat is, gij burgers en inwoners van het lichamelijke, en voornamelijk van het geestelijke Jeruzalem.3 gij heilige stad? Hebreeuws, gij stad der heiligheid.4 in u zal Dat is, gij zult voortaan niet meer door de goddeloze en heidense tirannen, hetzij Babyloniërs of anderen overweldigd worden. Dit is voornamelijk van het hemelse Jeruzalem te verstaan, gelijk Openb. 21:27.Vers 2 Schud u uit het stof, maak u op, zit neder, o Jeruzalem! maak u los van de banden van uw hals, gij gevangene dochter van Sion!5 Schud Dat is, wees verblijd en draag geen rouw meer.6 maak u los Dat is, dien God in heiligheid en gerechtigheid, nu gij verlost zijt uit de handen uwer vijanden. Zie boven Jes. 42:7; Luk. 1:74,75.7 dochter Dat is, gij volk van Zion, dat is van Jeruzalem.Vers 3 Want zo zegt de Heere; Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.8 Gijlieden De Heere wil zeggen: De Babyloniërs hebben mij daarvoor niets gegeven, dat Ik ulieden hun tot knechten voor altoos zou geven; daarom staat het mij nu ook vrij, als het mij belieft, ulieden uit hunne hand te verlossen, zonder rantsoengeld. Zie Ps. 44:13, en vergelijk Jes. 45:13.9 gelost Te weten uit de Babylonische dienstbaarheid, of knechtschap. Zie voorts Jes. 52:1.Vers 4 Want zo zegt de Heere Heere: In vorige tijden trok Mijn volk af in Egypte, om als vreemdeling aldaar te verkeren; en Assur heeft hetzelve om niet onderdrukt.10 in vorige tijden Of, voortijds, eermaals, eertijds. Hebreeuws, in het eerst. De zin is: Indien Ik de Egyptenaars zwaarlijk gestraft heb omdat zij mijn volk grotelijks geplaagd hadden, hetwelk toch vrijwillig naar Egypte getrokken is, hoeveel zwaarder zal Ik de Assyriërs en de Babyloniërs straffen, die het uit het land Kanaän, hetwelk Ik hun in eigendom gegeven heb, weggevoerd en zo wredelijk behandeld hebben?11 om niet onderdrukt. Of, zonder oorzaak.Vers 5 En nu, wat heb Ik hier te doen? spreekt de Heere, dewijl Mijn volk om niet weggenomen is, en degenen die over hetzelve heersen, het doen huilen, spreekt de Heere, en Mijn Naam geduriglijk den gansen dag gelasterd wordt;12 wat heb Ik Hebreeuws, wat mij hier? dat is, wat heb Ik hier te doen? Of, wat staat mij nu te doen? Alsof de Heere zeide: Ik wil niet langer hier vertoeven, maar wil terstond naar Babel trekken om mijn volk te verlossen, dewijl de Babyloniërs nu hunne maat vervuld hebben. Het is menselijkerwijze van God gesproken.13 weggenomen is, Dat is, van de Babyloniërs gevankelijk weggevoerd is. Hier staat kortheidshalve een woord voor twee, genomen voor weggenomen en weggevoerd is.14 degenen Anders: [en] zijne regenten huilen. Alsof Hij zeide: De Babyloniërs verschonen zelfs de regenten niet, veel weiniger verschonen zij het gemene volk.15 het doen huilen, Vermits zij het zo zwaar en ongenadig plagen.16 Mijn Naam Alsof Ik mijn volk niet tegen hun geweld had kunnen beschermen, en nu nog niet machtig ware het uit hunne handen te verlossen.Vers 6 Daarom zal Mijn volk, daarom zal het Mijn Naam in dien dag kennen, dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik.17 Mijn Naam Dat is, mij; zie Ps. 9:11.18 in dien dag Te weten als Ik het uit de Babylonische gevangenschap verlossen zal, lichamelijk; maar het is ook voornamelijk te verstaan van de geestelijke verlossing uit het geweld des duivels.19 dat Ik het Zelf ben, Dat is, dat mijne belofte van hunne verlossing waar is.Vers 7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning.20 Hoe liefelijk Hebreeuws, hoe schoon; woorden van verwondering, met blijdschap, ziende niet zozeer op de verkondiging van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, als wel op de predikatie der apostelen en andere leraars van het Nieuwe Testament, die den Joden en heidenen zouden verkondigen de geestelijke verlossing uit het geweld des duivels.21 op de bergen Versta, de bergen van het bergachtige Joodse land; en daaronder de kerk van God zo binnen als buiten Jeruzalem en Judea.22 die het goede Dat is, die een blijde boodschap brengen, namelijk vooreerst de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, en daarna de geestelijke verlossing door Jezus Christus; vergelijk Rom. 10:15.23 die den vrede In Jes. 52:7 verhaalt de profeet meermalen een en hetzelfde met verscheidene manieren van spreken, als niet woorden genoeg kunnende bedenken of vinden om die overgrote weldaad van God, ons in Christus bewezen, uit te drukken.24 doet horen; Dat is, verkondigt.25 tot Sion zegt: Dat is, tot de gemeente van God.26 Uw God is Koning. Te weten Christus Jezus, die onze eeuwige Koning is en zijne kerk met zijn Woord en Geest regeert, zie de aantekening Ps. 93:1; anders: uw God regeert als Koning.Vers 8 Er is een stem uwer wachters; zij verheffen de stem, zij juichen te zamen; want zij zullen oog aan oog zien, als de Heere Sion wederbrengen zal.27 uwer wachters; Dat is, van uwe profeten en apostelen enz.28 oog aan oog Dat is, bescheidenlijk, klaarlijk; vergelijk Num. 14:14, of, oog bij oog; dat is, alle ogen.29 zien, Te weten met lust.30 wederbrengen zal. Uit de Babylonische gevangenschap; alsook uit het geweld des duivels en der zonde. Anders: bekeren zal.Vers 9 Maakt een geschal, juicht te zamen, gij woeste plaatsen van Jeruzalem! want de Heere heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost.31 gij woeste plaatsen Versta hier, die plaatsen, die omtrent Jeruzalem en elders in het Joodse land nu een tijdlang hadden woest gelegen; zijnde van hunne vijanden verwoest geweest, en daaronder den woesten stand der kerk, als Christus haar vergaderde.Vers 10 De Heere heeft Zijn heiligen arm ontbloot voor de ogen aller heidenen; en al de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods.32 Zijn heiligen arm Hebreeuws, den arm zijner heiligheid; dat is, zijn goddelijke almachtigheid, die Hij in het verlossen van zijn volk bewezen heeft; vergelijk hiermede Luk. 1:51.33 ontbloot Dat is, uitgestrekt om de Babyloniërs te slaan en zijn volk uit hunne hand te verlossen, en de Christelijke kerk van haar geestelijke vijanden.34 al de einden Dat is, al de mensen, wonende aan de uiterste einden der wereld. Dit is geschied toen Christus zijne apostelen heeft uitgezonden om het Evangelie te gaan prediken in de ganse wereld; Matth. 28.35 het heil onzes Gods. Dat is, het heil, hetwelk onze God ons doen en bewijzen zal.Vers 11 Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, gij, die de vaten des Heeren draagt!36 Vertrekt, vertrekt, Ene vermaning tot Gods volk, om met ijver uit het lichamelijke en geestelijke Babel te vertrekken.37 van daar, Van Babel in Chaldea, gelijk Jes. 48:20, ook uit het geestelijke Babel, namelijk uit het rijk van den duivel en van den Antichrist.38 raakt het onreine Versta hierbij: Maar begeeft u tot alle heiligheid. Zie Jes. 52:1.38 gij, Dat is, gij priesters en Levieten; en in het Nieuwe Testament, al gij gelovigen, als zijnde altemaal geestelijke priesters. Zie 1 Thess. 4:4; 2 Tim. 2:21; 1 Petr. 2:5; Openb. 1:6.Vers 12 Want gijlieden zult niet met haast uitgaan, noch met der vlucht henengaan; want de Heere zal voor ulieder aangezicht henentrekken, en de God van Israël zal uw achtertocht wezen.40 Want gijlieden Ene beschrijving van den uittocht van Gods volk en de genade, die God hun daarin bewijzen zou.41 met haast uitgaan, Te weten gelijk uwe vaders doen moesten toen zij uit Egypte trokken, waar zij als uitgedreven werden; Exod. 12:33. Versta hierbij: Maar gij zult met gemak en zonder vrees uittrekken, ja met vreugde. Zie de vervulling Ezra 1.42 henengaan; Te weten uit het lichamelijke en geestelijke Babel.43 achtertocht Of, achterhoede, of achterhoop zijn. Hebreeuws, zal ulieden verzamelen, of tezamen vergaderen; dat is, Hij zal u aan alle kanten beschutten en beschermen. Zie Num. 10:25.