Verdelging der vijanden van Gods Kerk
Vers 1 Te dien dage zal de Heere met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwemelende slang, ja, den Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, doden.1 dien dage Te weten, als God zijn volk uit de Babylonische gevangenschap verlossen zal.2 met Zijn hard, Dat is, door de Perzen en Meden; Jes. 13:17, en Jes. 21:2.3 bezoeken Dat is, straffen, verdelgen; zie Gen. 21:1.4 den Leviathan, Hierbij verstaan enigen den koning te Babel, listig als een slang, vergiftig of schadelijk als een draak. Anderen verstaan ook hier door leviathan den duivel, den antichrist en alle zo geestelijke als lichamelijke vijanden der kerk Gods. Zie breder van het woord leviathan Job 40:20, en Ps. 74:14.5 langwemelende slang, Zie Job 26:13, met de aantekening.6 draak, Of, de zeedraak.Vers 2 Te dien dage zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zingt van denzelven bij beurte.7 een wijngaard De rode wijn werd in het Joodse land voor den besten en sterksten wijn gehouden. Zie Gen. 49:12; Spreuk. 23:31. Doch de woorden van Jes. 27:2 zijn te verstaan van de gemeente der gelovigen, die voortreffelijke vruchten der godzaligheid dragen zou. Van de geestelijke betekenis des wijngaards, zie de aantekening Jes. 5:1.8 zingt Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk antwoorden, gelijk Exod. 15:21; zie de aantekening aldaar. Het betekent ook bij beurten zingen in de reien als anderszins, 1 Sam. 18:7; alsook hier en elders meer. Het is hier ene vermaning aan alle godzaligen, dat zij zich verblijden vanwege hunne verlossing door Jezus Christus.Vers 3 Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.9 hem niet Dat is, hem beschadigen; zie Gen. 21:1.Vers 4 Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou?10 Grimmigheid Dit spreekt de profeet in den persoon Gods, alsof hij zeide: Ik ben nu met mijn volk ganselijk verzoend, om Christus' wil. Zodat niemand mij wederom tot toorn tegen hetzelve alzo ontstoken zal, dat Ik, daartegen oorlogende, hetzelve als een distel en doorn zou worden, of hetzelve verbranden zou. O dat zij verre van mij. Sommigen verstaan dat God, gesproken hebbende van zijne liefde tot de kerk, hier nu spreekt van zijne toorn en de straffen der vijanden: het is zaak dat zij zich oprecht tot hem bekeren, en zetten het aldus over: Zo wie mij [als] een doorn en distel in oorlog zal stellen, Ik zal tegen hem aanvallen, Ik zal hem tegelijk verbranden; of hij moest mijne sterkte aangrijpen, hij moest vrede met mij maken, enz.11 tegen hem Te weten tegen mijnen wijngaard.Vers 5 Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.12 Of hij moest Anders: of hij mijne sterkte aangreep? Te weten, den wijnstok, dat is, mijn volk, de kerk.13 aangrijpen, Dat is, hij zal zich vasthouden aan mijne sterkte, hij zal er zich op verlaten en rusten, te weten met berouw over zijne zonden, verbetering des levens en door een vast geloof.