Het gericht over het afgodische Israël
Vers 6 Maar Gij hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen.19 Maar Gij Hier wendt zich de profeet tot God, en hij doet een weeklacht over de Joden, die van God verstoten waren. De zin is: Maar waarom vermaan ik mijne landslieden tot het geloof aan Christus, dewijl het toch tevergeefs is; want, o Heere, Gij hebt besloten hen te verstoten.20 Uw volk, Te weten een deel uws volks; want de verharding is voor een deel over Israël gekomen, zegt de apostel, Rom. 11:25.21 meer dan Of, van oosten, dat is, der volken, die tegen het oosten of den opgang der zon wonen; verstaande de Chaldeën, Syriërs, Mesopotamiërs en andere Oosterse natiën, die tot bijgeloof, toverij en waarzegging zeer geneigd waren.22 guichelaars Zie de aantekening Lev. 19:26, en 2 Kon. 21:6.23 en aan de kinderen Dat is, aan de vreemdelingen, aan hunne zeden en manieren. Enigen verstaan dit gesproken te zijn van de huwelijken harer dochters aan de vreemde natiën, die verboden waren. Zie Deut. 7:1,2,3.24 tonen Het Hebreeuwse woord betekent zoveel als met handgebaar, of als met in de hand te kloppen, een welgevallen of behagen te tonen of te doen blijken.Vers 7 En hun land is vervuld met zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagenen is geen einde.25 hun land Te weten van het volk Jakobs. Anders, zijn, te weten Jakobs land. Alzo verder in Jes. 2:7 en volgende.Vers 8 Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hun vingeren gemaakt hebben.26 met afgoden; Hebreeuws, met ijdelheden, of nietigheden. Aldus worden de afgoden genoemd; 1 Cor. 8:4. Zie Jes. 44:10, en de aantekening Lev. 19:4.27 voor het werk Dat is, voor de afgoden, die zij zelf gemaakt hebben.Vers 9 Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult Gij het hun niet vergeven.28 Daar bukt Te weten voor de afgoden.29 de aanzienlijke Zie de aantekening Ps. 4:3, Ps. 49:3.30 zult Gij Anders: Vergeef het hun niet; en aldus zijn het woorden van den profeet, God den Heere aansprekende en biddende dat Hij de afgodendienaars wil straffen vanwege hunne afgoderij.Vers 10 Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des Heeren, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.31 Ga in den Hier wendt zich de profeet tot de verstokte Joden, en hij verkondigt hun de straf Gods; alsof hij zeide: De Heere zal u vijanden op den hals sturen, die u zo bang zullen maken, dat gij u in de holen en steenrotsen zult versteken. Zie onder Jes. 2:19,21.32 in het stof, Dat is, in de spelonken onder de aarde.Vers 11 De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de Heere alleen zal in dien dag verheven zijn.33 hoge ogen Ps. 101:5 noemt David een hovaardige een die hoog van ogen is. Zie ook Spreuk. 21:4.34 in dien dag Te weten als God de Joden door de Chaldeën zal verslaan en vernederen. Zie voorts Jes. 2:12.35 verheven zijn. Te weten als een machtig overwinnaar en wreker.Vers 12 Want de dag des Heeren der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;36 de dag des HEEREN Dat is, de straf des Heeren in het Oude en Nieuwe Testament. Zie Job 24:1, en Jes. 13:6.37 hij vernederd Dat is, een ieder onder hen.Vers 13 En tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan;38 alle hoge Dat is, over alle hoogheid, geweld, macht en heerlijkheid, waarop de mensen zich verlaten.39 cederen Dat is, die op den berg Libanon in groten getale wassen.40 Basan. Een land over de Jordaan.Vers 14 En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;Vers 15 En tegen allen hogen toren, en tegen allen vasten muur;41 hogen toren, Zie de aantekening Jes. 41:15.Vers 16 En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenste schilderijen.42 schepen Versta hier, niet alleen de schepen, maar ook den rijkdom en de kostelijke waren, die met schepen over de zee en wateren gevoerd worden.43 gewenste Of, beelden en andere sieraden, die men aan de schepen of in de huizen had.Vers 17 En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de Heere alleen zal in die dag verheven zijn.44 in die dag Te weten nadat de hovaardigen zullen uitgeroeid wezen.Vers 18 En elkeen der afgoden zal ganselijk vergaan.Vers 19 Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des Heeren, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.45 zij Te weten de afgodendienaars. Zie Hos. 10:8; Luk. 23:30; Openb. 6:16, en Openb. 9:6.46 in de spelonken Te weten uit vrees en schrik zich verbergende voor het aangezicht des Heeren.47 in de holen Te weten in de holligheden, kloven en reten.48 de aarde Of, het land te verbreken; te weten het aardrijk zelf, alsook de inwoners van hetzelve. En versta dit, eerst van het Joodse land en de inwoners van hetzelve, en wijders van de oordelen van den Messias in de ganse wereld, en alzo Jes. 2:21.Vers 20 In dien dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen;49 de mollen Hebreeuws, van den graver der putten, of der holen. Het is ene beschrijving van den mol. En de profeet wil met deze woorden te kennen geven dat men de afgoden in onreine en verachtelijke hoeken zou wegwerpen.Vers 21 Gaande in de reten der rotsen, en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des Heeren, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.50 kloven Hebreeuws, takken.Vers 22 Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?51 Laat gijlieden De zin is: Terwijl gij hoort dat zelfs de groten niet helpen kunnen, zo zet uw vertrouwen niet op de mensen, wier adem en leven in hunnen neus is. Stopt hun neus en mond, zo moeten zij sterven. Vergelijk Job 27:3.52 waarin Of, waarvoor. De zin is: Wat is er toch aan of in den mens, waarom iemand zijn vertrouwen op hem zou stellen? Hij is gans niets. Zie Ps. 39:12.