Advertentie

Jeremia 9:10-26

17 verzen · 28 kanttekeningen · Statenvertaling

Bedreiging des HEEREN

Vers 10 Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten der woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogelen des hemels aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!18 herdershutten Of weiden, waar de herders hunne woningen of hutten hebben.19 afgebrand, Dat is, het zal alzo zekerlijk gebeuren; en zo in het volgende.20 zijn zij weggezworven, Gelijk onder Jer. 50:3.Vers 11 En Ik zal Jeruzalem stellen tot steen hopen, tot een woning der draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner.Vers 12 Wie is de wijze man, die dit versta? En tot wien heeft de mond des Heeren gesproken, dat hij het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat?21 wijze man, Alsof hij zeide: Zulken zijn er zeer weinig onder het ganse volk, niettegenstaande ik, nevens andere dienstknechten des Heeren, dit geduriglijk door Gods bevel uitroep, tegen de verleidingen der valse profeten, die niet dan van vrede spreken. Zie boven Jer. 8:11,15.22 verkondige, Of verklare.Vers 13 En de Heere zeide: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben;Vers 14 Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de Baäls, hetwelk hun vaders hun geleerd hadden.23 goeddunken Gelijk boven Jer. 3:17.24 Baäls, Zie Richt. 2:11.Vers 15 Daarom zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls, alzo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater;25 Ik zal dit Hebreeuws, Ik zal hen spijzigen, dit volk.26 alsem, Dat is, hun bittere en verderflijke ellenden en plagen toezenden; zie boven Jer. 8:14; Deut. 29:18; Ps. 69:22.Vers 16 En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.27 totdat Ik hen Gelijk onder Jer. 49:37.Vers 17 Zo zegt de Heere der heirscharen: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt henen naar de wijze vrouwen, dat zij komen.28 klaagvrouwen, Dit ziet op de gewoonte van die tijden en plaatsen, dat men in tijd van groten rouw zangers en zangeressen ontbood, die kunstige klaagliederen bewegelijk konden zingen om de mensen tot wenen te verwekken. Zie 2 Kron. 35:25; Job 3:8; Ezech. 32:16; Amos 5:16; Matth. 9:23; Mark. 5:38. God wil hierdoor te verstaan geven dat er, alleszins oorzaak van rouw in het land wezen zal, zodat men de ellende van dien tijd niet genoeg zal kunnen bewenen.29 wijze Die in deze kunst van klaagliederen te zingen wel ervaren zijn; vergelijk onder Jer. 10:9.Vers 18 En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.30 nederdalen, Dat is, tranen in overvloed uit onze ogen aflopen, afvallen, afvlieten, nederdalen; alzo onder Jer. 13:17, en Jer. 14:17.Vers 19 Want er is een stem van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten, omdat zij onze woningen hebben omgeworpen.31 omdat zij Of, omdat onze woningen [ons] hebben uitgeworpen, of weggeworpen.Vers 20 Hoort dan des Heeren woord, gij vrouwen! en uw oor ontvange het woord Zijns monds, en leert uw dochters weeklagen, en elke een haar metgezellin klaagliederen.32 weeklagen, Hebreeuws, weeklage, klaaglied.Vers 21 Want de dood is geklommen in onze vensteren, hij is in onze paleizen gekomen, om de kinderkens uit te roeien van de wijken, de jongelingen van de straten.33 Want de dood Of, zekerlijk; en alzo konden deze woorden een formulier zijn van een klaaglied.34 kinderkens Van het Hebreeuwse woord, zie Ps. 8:8.Vers 22 Spreek: Zo spreekt de Heere: Ja, een dood lichaam des mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter den maaier, die niemand opzamelt.35 liggen, Alzo wordt het Hebreeuws woord, dat gemeenlijk vallen betekent, ook elders voor liggen genomen. Zie Deut. 21:1; Richt. 4:22, en Richt. 19:26; 1 Sam. 31:8; 2 Kron. 20:24; onder Jer. 51:4; Ezech. 6:7, enz.36 open veld Hebreeuws, aangezicht des velds.37 garve Enige korenaren, die de maaier overslaat en laat vallen, waar men niet meer naar omziet.38 die niemand opzamelt. Of, niemand zal het [te weten het dode lichaam] inzamelen, opnemen, wegnemen, om te begraven. Vergelijk boven Jer. 8:2.Vers 23 Zo zegt de Heere: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;39 in zijn wijsheid, Of, van, over, om; alzo in het volgende.Vers 24 Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere.Vers 25 Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de voorhuid hebben;40 bezoeking Gelijk Jer. 9:9.41 voorhuid Hebreeuws, met de voorhuid; dat is, met den onbesnedene [gelijk Rom. 2:26; zie wijders Job 35:13;] over den een met den ander, wil de Heere zeggen; mijn volk, dat besneden is, zowel als de onbesneden heidense natiën. Vergelijk onder Jer. 25:17,18,19,20, enz. Sommigen verstaan met, of in de voorhuid; dat is, zodanigen, die wel naar het vlees zijn besneden, maar onbesneden van harte, gelijk in het volgende van Israël gezegd wordt.Vers 26 Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het ganse huis Israëls heeft de voorhuid des harten.42 Egypte, Dat is, de Egyptenaars, enz.43 hoeken Hebreeuws, den hoek; te weten van hun hoofd, dat is, die rondom aan de hoeken des hoofds zijn beschoren, gelijk de Arabieren. Vergelijk Lev. 19:27, alzo onder Jer. 25:23, en Jer. 49:32. Anders: die in den uitersten hoek gelegen zijn; dat is, de heidense volken, die buiten en aan de uiterste hoeken van Kanaän, in het oosten, zuiden, of naar de Rode zee toe, of aan zekeren uitersten hoek van dien [gelijk enigen menen] woonachtig waren.44 hebben de voorhuid, Hebreeuws alsof men zeide: Zijn voorhuid.45 voorhuid des harten. Dat is, zijn onbesneden van harte, hoewel zij naar het lichaam besneden zijn. Zie boven Jer. 4:4.

Lees heel Jeremia 9

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.