Advertentie

Jeremia 8:4-17

14 verzen · 30 kanttekeningen · Statenvertaling

De afval van Gods volk. Het komende gericht

Vers 4 Zeg wijders tot hen: Zo zegt de Heere: Zal men vallen, en niet weder opstaan? Zal men afkeren, en niet wederkeren?8 Zal men vallen, Hebreeuws, zullen zij; te weten de mensen, alzo in het volgende, zal hij, enz.; dat is, daar is toch niemand zo onzinnig, dat hij niet gaarne weder zou willen opstaan als hij gevallen is, en dat hij niet tot den rechten weg zou willen keren als hij afgedwaald is.Vers 5 Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met een altoosdurende afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keren.9 altoosdurende Of, sterke, doordringende, immer voortgaande, oneindelijke, eeuwige; dat is, een uitermate hardnekkige afkering. Van het Hebreeuwse woord, zie Ps. 4:1, en Ps. 13:2.Vers 6 Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in den strijd.10 onbesuisd paard Dat jaagt, briest, doorbreekt, en overal doorloopt, gelijk een watervloed, waarvan het Hebreeuwse woord eigenlijk gebruikt wordt; alzo vergelijk ook de Heilige Schrift het briesen van het paard bij een donder; Job 39:22.Vers 7 Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des Heeren niet.11 aan den hemel, Hebreeuws, in den hemel; dat is, in de lucht. Of een ooievaar weet door den hemel; dat is, door de gelegenheid en verandering van lucht. Deze beesten weten door een natuurlijk ingeven, dat zij van God hebben, wat tot hun best dient; vergelijk Jes. 1:3.12 recht Let niet op hetgeen hun van God in zijn woord is voorgeschreven. Anders: oordeel, gericht, hetwelk zij uit alle tekenen behoorden te merken, dat God voorhad over hen te laten gaan zo zij zich niet bekeerden.Vers 8 Hoe zegt gij dan: Wij zijn wijs en de wet des Heeren is bij ons! Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de valse pen der schriftgeleerden.13 tevergeefs Hebreeuws, tot leugen; dat is, tevergeefs; zie 1 Sam. 25:21; of tot valsheid, valselijk.14 schriftgeleerden. Die de wet recht behoorden te verstaan en uit te leggen, gaan om met enkel valsheid, zie Ezra 7:6. Deze woorden worden verscheidenlijk overgezet, doch het komt al op een uit, te weten dat zij tevergeefs veel schreven van des Heeren wet, dewijl zij alles tot valsheid en leugen misbruikten en in het minst daarnaar niet deden noch anderen leerden doen. Vergelijk Matth. 23:13; Luk. 11:52; Rom. 2:17, enz.Vers 9 De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des Heeren woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?15 wijzen De schriftgeleerden, die zich van wijsheid valselijk beroemen, gelijk in Jer. 8:8 gezegd is. Anders: hebben [deze] wijzen [iemand] beschaamd? zijn [de lieden] verschrikt en gevangen geworden? Te weten door hunne bestraffingen, zodat zij zich van de boosheid zouden bekeerd hebben?16 wat wijsheid Hebreeuws, welks [dings] wijsheid.Vers 10 Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van den kleinste aan tot den grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.17 den kleinste Zie dezelfde woorden, die hier en in het volgende tot aan Jer. 8;13 staan, boven Jer. 6:13,14,15; uitgenomen enige verandering. Zie de aantekening aldaar.Vers 11 En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.Vers 12 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden; daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde hunner bezoeking zullen zij struikelen, zegt de Heere.18 omdat zij gruwel Of, wanneer zij, enz.Vers 13 Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de Heere; er zijn geen druiven aan den wijnstok, en geen vijgen aan den vijgeboom, ja, het blad is afgevallen; en de geboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij.19 wegrapen, Van het Hebreeuwse woord, zie Ps. 26:9. Hebreeuws, verzamelende zal Ik hen verzamelen. Anders: verteren.20 er zijn geen Dit kan men alzo verstaan, dat zij gans geen goede werken voortbrachten, ja zelfs geen schijn van die hadden; vergelijk Jes. 5,en Matth. 21:19; of, men kan het met anderen nemen voor de toekomstige algemene verwoesting des lands, of dat het tot een voorteken van die tegenwoordiglijk bereids alzo met de landvruchten gesteld was, en wat er nog moet overig zijn, dat de vijand voorts alle zou wegnemen.21 en Of, want.22 de geboden, die Anderen: en [de dingen], die Ik hun gegeven heb; [te weten landvruchten en andere gaven] zullen van hen wijken, of voorbijgaan, of, Ik had ze hun wel gegeven, [maar] zij zullen van hen wijken.Vers 14 Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en aldaar stilzwijgen; immers heeft ons de Heere, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen den Heere gezondigd hebben.23 Waarom Woorden van het benauwde en vluchtende volk.24 vaste steden, Hebreeuws, steden der vesting.25 stilzwijgen; Wachtende op hulp of verlossing, gelijk sommigen dit nemen, ziende op Jer. 8:15, of, opdat wij daar stil mogen zijn.26 immers Woorden van den profeet, waarmede hij de woorden van het volk beantwoordt, bespottende [gelijk sommigen verstaan] de ijdele hoop der Joden.27 doen stilzwijgen, Zodat wij niets hebben te zeggen tegen al deze plagen, alsof ons ongelijk geschiedt.28 gallewater Dat is, een bittere en dodelijke ellende toegeschikt. Zie Ps. 69:22; alzo onder Jer. 9:15, en Jer. 23:15.Vers 15 Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking.29 Men wacht Of, wij wachten, zij wachten, idem, wacht [vrij] daar toch, enz. als in enen zin.30 genezing, Zie Ps. 30:3. Deze en dergelijke manieren van spreken worden gesteld tegen anderen, die van breuk, slagen, wonden, enz. vermelden.Vers 16 Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord; het ganse land beeft van het geluid der briesingen zijner sterken; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen.31 Dan Zie boven Jer. 4:15.32 zijner paarden Van den koning van Babel.33 sterken; Dit kan men verstaan van het gejuich der sterke helden van zijn heirleger, of het gebries zijner sterke paarden. Zie Ps. 22:13, en onder Jer. 47:3.34 volheid, Dat is, al wat er in is, vergelijk Ps. 24:1, enz.Vers 17 Want ziet, Ik zend slangen, basilisken onder ulieden, tegen dewelke geen bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de Heere.35 Want ziet, Woorden des Heeren.36 slangen, De allerschadelijkste vijanden, de Chaldeën, wier macht en wreedheid gij niet zult kennen afwenden of ontgaan.37 bezwering is; Zie Ps. 58:6.

Lees heel Jeremia 8

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.