God laat Zedekía aanzeggen, wat Jeruzalem en zijn persoon zal overkomen
Vers 1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere (als Nebukadnezar, koning van Babel, en zijn ganse heir, en alle koninkrijken der aarde, die onder de heerschappij zijner hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen al haar steden), zeggende:1 Nebukadnezar Anders in dit boek, en bij Ezechiël meest genoemd Nebukadnezar.Vers 2 Zo zegt de Heere, de God Israëls: Ga henen en spreek tot Zedekia, den koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere: Zie, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.Vers 3 En gij zult van zijn hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen des konings van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en gij zult te Babel komen.2 zekerlijk gegrepen, Hebreeuws, grijpende gegrepen worden.3 ogen zullen de ogen des konings van Babel zien, Vergelijk boven Jer. 32:4, en onder Jer. 52:9,10,11.Vers 4 Maar hoor des Heeren woord, o Zedekia, koning van Juda! zo zegt de Heere van u: Gij zult door het zwaard niet sterven.4 Gij zult door het zwaard niet sterven. Vergelijk boven Jer. 32:5, met de aantekening.Vers 5 Gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, alzo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt de Heere.5 naar de brandingen Of, met de brandingen; dat is, gelijk men uwe voorzaten bij hunne begrafenis vereerd heeft met vuren of het branden van allerlei kostelijke specerijen, alzo zal u ook geschieden. Zie hiervan 2 Kron. 16:14, met de aantekening.6 Och heer! Vergelijk boven Jer. 22:18,19.Vers 6 En de profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia, den koning van Juda, te Jeruzalem.Vers 7 Als het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.7 Als het heir des konings van Babel Hiermede wordt te kennen gegeven de gehoorzaamheid, godzalige vrijmoedigheid en het vertrouwen van Jeremia, die niet geschroomd heeft in zulke gelegenheid van zaken den koning Zedekia aan te zeggen hetgeen hem van God belast was.8 Lachis Zie 2 Kon. 14:19.9 Azeka; Zie 1 Sam. 17:1.10 vaste steden, Hebreeuws, steden der vesting.Vers 8 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere, nadat de koning Zedekia een verbond gemaakt had met het ganse volk, dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen.11 gemaakt had Zie de manier van dit verbondmaken onder Jer. 34:18,19, en vergelijk Gen. 15:17,18.12 ganse volk, Versta, allen die dienstboden hadden.13 voor hen uit te roepen. Te weten, alle knechten en maagden, in het zevende jaar, volgens de wet, onder Jer. 34:13,14. Dit deed Zedekia om door dit uiterlijk werk van gehoorzaamheid verlossing en overwinning van God te verkrijgen, maar hoe zij het, naar de wijze van de huichelaars, hebben gemeend en onderhouden, wordt in het volgende verhaald.Vers 9 Dat een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, zijnde een Hebreër of een Hebreïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broeder, zou doen dienen.14 doen dienen. Zie boven Jer. 22:13.Vers 10 Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan;15 hoorden al de vorsten Dat is, gehoorzaamden, gelijk terstond wederom en elders dikwijls.Vers 11 Maar zij keerden daarna wederom, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden.16 wederkomen, Tot hun vorigen dienst, alzo Jer. 34:16. Dit schijnen zij gedaan te hebben omdat de Babyloniërs van Jeruzalem aftrokken tegen de Egyptenaars, zichzelven ijdellijk inbeeldende dat zij het gevaar alleen waren ontkomen, waar zij integendeel Gods toorn opnieuw verwekten; zie onder Jer. 34:21,22.Vers 12 Daarom geschiedde des Heeren woord tot Jeremia, van den Heere, zeggende:Vers 13 Zo zegt de Heere, de God Israëls: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaderen, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende:17 diensthuis uitvoerde, Hebreeuws, huis der dienstknechten.Vers 14 Ten einde van zeven jaren zult gij laten gaan, een iegelijk zijn broeder, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.18 verkocht zijn, Of, die zich aan u verkocht zal hebben.Vers 15 Gijlieden nu waart heden wedergekeerd, en hadt gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, een iegelijk voor zijn naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is.19 wedergekeerd, Of, hadt u bekeerd; te weten naar het uiterlijk aanzien, zoveel het uiterlijk werk aangaat.20 naar Mijn Naam genoemd is. Zie boven Jer. 7:10. Versta, den tempel.Vers 16 Maar gij zijt weder omgekeerd, en hebt Mijn Naam ontheiligd, en doen wederkomen, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, die gij hadt laten vrijgaan naar hun lust; en gij hebt hen ten ondergebracht, om ulieden te wezen tot knechten en tot maagden.21 Naam ontheiligd, Dien gij in den eed van het verbond gebruikt hebt.22 wederkomen, Gelijk Jer. 34:11.23 lust; Of, begeerte, wens, welgevallen, wil. Hebreeuws, ziel; zie Ps. 27:12. Anders: voor henzelven, voor hunne personen; dat is, om hun zelfs eigen en vrij te zijn.Vers 17 Daarom zegt de Heere alzo: Gijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, een iegelijk voor zijn broeder, en een iegelijk voor zijn naaste; ziet, zo roep Ik uit tegen ulieden, spreekt de Heere, een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken der aarde.24 vrijheid ten zwaarde, Een aardige verandering of omkering der woorden van vrijheid uit te roepen, tevoren ten goede, maar hier ten kwade; dat is, tot straf, die God door zijn rechtvaardig oordeel over hen wil uitvoeren en onder hen laten woeden. Sommigen stellen, aan het zwaard, enz. Alsof God zeide: Ik zal het zwaard, de pestilentie, enz. vrijheid geven om onder ulieden te woeden.25 beroering allen koninkrijken der aarde. Zie Deut. 28:25.Vers 18 En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:26 bevestigd hebben de woorden des verbonds, Metterdaad niet volbracht, niet gehouden hebben. Hebreeuws eigenlijk, niet hebben doen rijzen, of opstaan; zie Deut. 27:26, en onder Jer. 35:14.27 met het kalf, Anders: [gelijk] het kalf, enz. dat is, Ik zal hen in stukken doen scheuren door het gevogelte, enz. gelijk Jer. 34:20.28 tweeën hadden gehouwen, Zie Gen. 15:17,18.Vers 19 De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, en al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan.29 kamerlingen, Of, hovelingen; zie Gen. 37:36.Vers 20 Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.30 ziel zoeken, Dat is, die naar hun leven staan. Zie Exod. 4:19; 2 Sam. 4:8; alzo in Jer. 34:21.31 dode lichamen Hebreeuws, dood lichaam; gelijk boven Jer. 7:33.Vers 21 Zelfs Zedekia, den koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het heir des konings van Babel, die van ulieden nu zijn opgetogen.32 van ulieden nu zijn opgetogen. Dat is, van Jeruzalem afgetogen, opgetrokken, [zie boven Jer. 34:11, en onder Jer. 37:5,11], tegen den koning van Egypte, die tot hulp van Zedekia in aantocht was.Vers 22 Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt de Heere, en zal hen weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in wone.33 bevel geven, Dat is, Ik zal door mijne voorzienigheid en regering beschikken dat de Chaldeën wederkomen. Vergelijk Lev. 25:21, en boven Jer. 25:29; Amos 6:11, en Amos 9:9.