Advertentie

Jeremia 29:1-23

23 verzen · 39 kanttekeningen · Statenvertaling

Brief van Jeremía aan de ballingen te Babel

Vers 1 Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.1 de overige oudsten, Hebreeuws, het overige der oudsten der gevankelijke wegvoering. Gelijk boven Jer. 28:4, en onder Jer. 29:4,22,31.Vers 2 (Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan);2 kamerlingen, Of, hovelingen. Zie Gen. 37:36.3 timmerlieden en smeden Hebreeuws, timmerman en de smid; zie boven Jer. 24:1.4 uitgegaan. Zie 2 Kon. 24:12,14.Vers 3 Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, den koning van Babel, zeggende:5 Door de hand van Elasa, Dit hangt aan deze woorden van Jer. 29:1, dien de profeet Jeremia zond, door de hand, enz., dat is, door den dienst; deze gezanten namen dien brief mede.6 zeggende: Te weten, in den brief, gelijk volgt; alzo onder Jer. 29:25,28, enz.Vers 4 Zo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel:7 heirscharen, Zie 1 Kon. 18:15.8 die gevankelijk zijn weggevoerd, Hebreeuws, tot de ganse gevankelijke wegvoering; gelijk Jer. 29:1.9 Ik gevankelijk heb doen wegvoeren De Heere.Vers 5 Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan;Vers 6 Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.Vers 7 En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den Heere; want in haar vrede zult gij vrede hebben.10 vrede der stad, Dat is, welvaart en voorspoed. Zie Gen. 37:14.11 vrede zult gij vrede hebben. Gelijk het haar welgaat, zal het u ook welgaan.Vers 8 Want zo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.12 bedriegen, Ulieden wijsmakende dat gij binnen twee jaren zult verlost worden.13 dromers, Hebreeuws, dromen. Zie boven Jer. 27:9.14 doet dromen. Dien gij door uwe ijdelheid en lichtgelovigheid gelegenheid en oorzaak geeft, om u met valse dromen te verleiden.Vers 9 Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de Heere.15 valselijk in Mijn Naam; Hebreeuws, in, of met valsheid.Vers 10 Want zo zegt de Heere: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.16 als zeventig jaren Hebreeuws, aan, of naar den mond van vervuld te worden, of zijn. Deze plaats is zeer aanmerkelijk voor het gevoelen dergenen, die de zeventigjarige gevangenschap aanvangen te rekenen, niet van de verwoesting van Jeruzalem onder den koning Zedekia, maar van de wegvoering van den koning Jechonia en van vele andere Joden, [waarvan boven Jer. 29:2], die nu in de gevangenschap waren, als Jeremia dezen brief aan hen zond. Vergelijk Ezech. 1:2, en Ezech. 33:21, en Ezech. 40:1, met de aantekening.17 te Babel Of, aan, met Babel; dat is, als gij zeventig jaren aldaar zult geweest zijn, of, als Babel u zolang in de gevangenschap zal gehouden hebben.18 bezoeken, Versta, in genade; zie Gen. 21:1.19 goed woord over u Dat is, mijn goede, genadige en troostelijke beloften van uwe verlossing vervullen.20 verwekken, Of, bevestigen, daarstellen, doen bestaan.Vers 11 Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de Heere, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.21 vredes, Lichamelijken en geestelijken zegen, en niet het tegendeel; zie Gen. 37:14.22 einde Hebreeuws, achterste, laatste; dat is, hier, einde; zie Ps. 37:37, onder Jer. 31:17 en vergelijk 1 Petr. 1:9.23 verwachting. Dat is, ene uitkomst, die Ik beloofd heb en gij van mij verwachten zult, of, het verwachte einde, het einde waarnaar gij gewacht hebt, een gewenst einde.Vers 12 Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.Vers 13 En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.Vers 14 En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de Heere, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de Heere; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.24 gevonden worden, Of, mij gereed, of vindelijke tonen. Vergelijk Ps. 46:2.Vers 15 Omdat gij zegt: de Heere heeft ons profeten naar Babel verwekt;25 naar Babel verwekt; Anders: in Babel, dat is, omdat gij u wijsmaakt dat God, niettegenstaande Hij u naar Babel heeft doen wegvoeren, nochtans ook profeten derwaarts gestuurd heeft, die u zouden troosten met belofte dat God het koninkrijk van Juda zal staande houden en u binnen twee jaren verlossen en weder te Jeruzalem brengen; daarom zo hoort nu wat de Heere dienaangaande zegt, opdat gij de ijdele hoop, die u uw valse profeten geven, moogt verlaten, en u houden aan de profetieën, die ik u hier in Gods naam doe en die u in het volgende verhaald worden. Anderen hechten Jer. 29:15 aan het voorgaande, aldus: Wanneer gij gezegd zult hebben: De Heere heeft ons, enz.; dat is, deze verlossing zal komen, als gij met oprechte boetvaardigheid zult bekennen dat ik en andere getrouwe profeten, van God verwekt zijnde, u de rechte waarheid hebben gezegd, dat gij naar Babel zoudt moeten gaan, en niet verlost worden vóór den tijd, dien God daartoe bestemd heeft.Vers 16 Daarom zegt de Heere alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis;26 van den koning, Hebreeuws, el, dat somtijds voor van genomen wordt. Zie Job 42:7, en Ps. 2:7, en onder Jer. 29:21,31, en Jer. 30:4.27 stad woont, Jeruzalem;; dat is, die hier gebleven zijn, tot welke gij haast in vrede meent weder te komen, alzo u de valse profeten wijsmaken.Vers 17 Alzo zegt de Heere der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.28 afschuwelijke vijgen, Zie boven Jer. 24:8, enz.Vers 18 En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben;29 overgeven tot een beroering, Zie Deut. 28:25, en boven Jer. 15:4 enz.30 schrik, Anders: verwoesting, schrikkelijke woestheid.Vers 19 Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de Heere, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de Heere.31 vroeg op zijnde en zendende; Zie boven Jer. 7:13.Vers 20 Gij dan, hoort des Heeren woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden!32 gij allen, Hebreeuws, de ganse gevankelijke wegvoering. Gelijk boven Jer. 29:1.Vers 21 Zo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.33 valselijk profeteren: Of, valsheid, leugen.34 slaan. Dat is, laten ombrengen, gelijk in het volgende verklaard wordt.Vers 22 En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De Heere stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;35 hen zal een vloek Te weten van deze valse profeten zullen de gevangen Joden nog een formulier of gewoonte van vloeken nemen en gebruiken wanneer zij iemand willen vervloeken. Vergelijk onder Jer. 42:18; Jes. 65:15.36 Achab, In Jer. 29:21 genoemd Achab.37 braadde; Dat is, liet braden of roosten.Vers 23 Omdat zij een dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de Heere.38 dwaasheid deden in Israël, Zie Gen. 34:7.39 woord valselijk in Mijn Naam, Of, een vals woord, een woord dat valsheid of leugen was; dat is, zij leerden en profeteerden valsheid, misbruikende daartoe mijnen naam en last.

Lees heel Jeremia 29

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.