De twee vijgenkorven
Vers 1 De Heere deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des Heeren; nadat Nebukadnezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.1 zien, en ziet, Te weten, een gezicht, of in een gezicht, zulks als volgt. Vergelijk boven Jer. 11:18, en zie Gen. 15:1, en Gen. 46:2; Amos 7:1,4,7, en Amos 8:1.2 Jechonia, Zie boven Jer. 22:24.3 timmerlieden, Hebreeuws, den timmerman, of werkmeester, [betekenende beide timmerlieden en smeden] en den smid, of eigenlijk den slotenmaker; anders: portier, idem, rijken koopman, als die vele koopwaren opsluit, of opgesloten te koop houdt. Alzo 2 Kon. 24:16, en onder Jer. 29:2.Vers 2 In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.4 eerste rijpe vijgen zijn; Vergelijk Micha 7:1, met de aantekening.Vers 3 En de Heere zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.Vers 4 Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende:Vers 5 Zo zegt de Heere, de God Israëls: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeën heb weggeschikt, ten goede.5 Gelijk die goede vijgen, Sommigen vullen deze woorden aldus aan: Gelijk deze vijgen [goed zijn]; of gelijk [gij] deze goede vijgen [kent], enz. Alzo Jer. 24:8.6 kennen Voor aangenaam houden, zorg voor hen dragen. Zie Ps. 1:6.7 gevankelijk weggevoerden van Juda, Hebreeuws, gevankelijke wegvoering, vervoering, vervaring. Gelijk elders dikwijls.8 ten goede. Deze woorden kunnen in een goeden zin gevoegd worden bij het woord kennen, of bij het woord weggeschikt; want God kent de zijnen ten goede, en Hij had de zijnen [die Hij onder de gevangenen had] tot hun best verzonden en gekastijd, zullende daaruit zijne kerk nog weder oprichten en bouwen, gelijk volgt.Vers 6 En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.9 oog Vergelijk 1 Kon. 8:29; Ps. 32:8; idem onder Jer. 39:12, en Jer. 40:4, gelijk integendeel het oog tegen iemand te zetten of stellen, ten kwade genomen wordt. Zie Amos 9:4. De manier van spreken is in het Hebreeuws enerlei, maar wordt door het bijgevoegde verklaard, en het Hebreeuwse woord verklaard op, over, en ook tegen, naar gelegenheid van zaken.10 bouwen, Vergelijk Ps. 28:5.Vers 7 En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de Heere ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.11 tot een volk zijn, Zie Lev. 26:12.12 tot een God zijn; Zie Gen. 17:7.Vers 8 En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de Heere), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;13 want aldus zegt de HEERE, Of, zekerlijk.14 maken Zedekia, Of, stellen, toerichten; anders: overgeven, en Jer. 24:9 aldus begonnen: Ik zal hen, zeg Ik, overgeven, enz. Vergelijk onder Jer. 29:17.15 wonen. Dat is, alsdan zullen wonen; zie 2 Kon. 25:26, en onder Jer. 43,Jer. 44.Vers 9 En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;16 overgeven Of, stellen, enz.; zie boven Jer. 15:4 en Deut. 28:25.Vers 10 En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.