Wee over de slechte herders
Vers 1 Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de Heere.1 ombrengen Of, vernielen, doen omkomen, vergaan, verderven, in het verderf brengen, vergelijk deze profetie met Ezech. 34.Vers 2 Daarom zegt de Heere, de God Israëls, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de Heere.2 bezocht; Geen opzicht op hen gehad, hunnen welstand niet bezorgd.3 bezoeken Dat is, straffen. Zie Gen. 21:1.Vers 3 En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.4 vergaderen Als Ik vooreerst mijn volk uit Babel, en daarna [dat het voornaamste en daardoor afgebeeld was] mijne kerk zal vergaderen uit Joden en heidenen door den Messias, die van beiden één schaapsstal zal maken, Joh. 10:16.5 kooien, Hebreeuws, woningen, perken.Vers 4 En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de Heere.6 verwekken, Of, stellen, zetten.7 gemist worden, Dat is, geen van hen zal er ontbreken. Anders: bezocht, dat is gestraft, geplaagd worden; gelijk boven Jer. 23:2.