Jeremía geslagen en gevangen gezet
Vers 1 Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis des Heeren), Jeremia hoorde, diezelve woorden profeterende,1 Pashur, Hebreeuws, Paschchur.2 zoon Dat is, nakomeling.3 Immer, Op wiens geslacht het zestiende lot in de afdeling der priesters gevallen was. Zie 1 Kron. 24:14.4 bestelde Of, een bestelde [of overste] een voorganger, dat is, [gelijk sommigen verklaren] de tweede na den hoogpriester, gelijk Eleazar was bij zijns vaders Aärons leven, Num. 4:16, gesteld tot opzicht en regering in Gods huis.Vers 2 Zo sloeg Pashur den profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis des Heeren is.5 sloeg Zie 1 Kon. 20:35.6 gevangenis, Hebreeuws eigenlijk, omkering, als strekkende tot omkering van den welstand der misdadigers. Zie wijders 2 Kron. 16:10. Sommigen menen dat deze gevangenis alzo genoemd is vanwege de engheid der plaats, als waarin men zich nauwelijks kon omkeren; alzo onder Jer. 29:26.7 bovenste poort Anders: hoge poort; gelijk 2 Kron. 23:20. Vergelijk onder Jer. 26:10. Van dezen naam, bovenste, of hoogste, is verscheiden gevoelen.8 Benjamin, Dat is, staande naar het land van Benjamin toe.Vers 3 Maar het geschiedde des anderen daags, dat Pashur Jeremia uit de gevangenis voortbracht; toen zeide Jeremia tot hem: De Heere noemt uw naam niet Pashur, maar Magor-missabib.9 Magor-missabib. Dat is, schrik, of vrees van rondom, om reden gelijk volgt.Vers 4 Want zo zegt de Heere: Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelven en voor al uw liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard hunner vijanden, dat het uw ogen aanzien; en Ik zal gans Juda geven in de hand des konings van Babel, die hen naar Babel gevankelijk zal wegvoeren, en slaan hen met het zwaard.10 stel u Of, Ik geef u den schrik, of der vrees over.11 liefhebbers; Of, vrienden; alzo Jer. 20:6 en elders.12 slaan Dat is, ombrengen; zie Gen. 8:21.Vers 5 Ook zal Ik geven al het vermogen dezer stad, en al haar arbeid, en al haar kostelijkheid, en alle schatten der koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand hunner vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel.13 arbeid, Dat is, al wat zij met haar arbeid verkregen heeft.Vers 6 En gij, Pashur, en alle inwoners van uw huis! gijlieden zult gaan in de gevangenis; en gij zult te Babel komen, en aldaar sterven, en aldaar begraven worden, gij en al uw vrienden, denwelken gij valselijk geprofeteerd hebt.14 valselijk Hebreeuws, in, of met valsheid.