Verbondsbreking
Vers 1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den Heere, zeggende:Vers 2 Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;1 Hoort Gij Jeremia, en andere van mijn vrome profeten en priesters, die nog onder het volk overig zijt, [gelijk sommigen dit nemen] hoort dit en draagt het daarna het volk voor.2 mannen Hebreeuws, man. Zie boven Jer. 4:3; alzo onder Jer. 11:9.Vers 3 Zeg dan tot hen: Zo zegt de Heere, de God Israëls: Vervloekt zij de man, die niet hoort de woorden dezes verbonds.3 Zeg dan Gij Jeremia.4 man, Dat is de mens, of een ieder; gelijk Ps. 1:1, en elders dikwijls. Zie Job 12:10.5 hoort Dat is, die de wet Gods niet gehoorzaam is.Vers 4 Dat Ik uw vaderen geboden heb, ten dage als Ik hen uit Egypteland, uit den ijzeroven, uitvoerde, zeggende: Zijt Mijner stem gehoorzaam, en doet dezelve, naar alles wat Ik ulieden gebiede; zo zult gij Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn;6 ijzeroven, Zie Deut. 4:20.7 stem Dat is, woorden, geboden.8 dezelve, Te weten woorden des verbonds, gelijk Jer. 11:3, en onder Jer. 11:6.9 volk zijn, Gelijk boven Jer. 7:23.Vers 5 Opdat Ik den eed bevestige, dien Ik uw vaderen gezworen heb, hun te geven een land, vloeiende van melk en honig, als het is te dezen dage. Toen antwoordde ik en zeide: Amen, o Heere!10 vloeiende Zie Exod. 3:8.11 Amen, Zie Num. 5:22; Deut. 27:15.Vers 6 En de Heere zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes verbonds, en doet dezelve.Vers 7 Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, ten dage als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op dezen dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem!12 ernstiglijk Hebreeuws, betuigende betuigd.13 ten dage Dat is, van den tijd aan.14 vroeg Zie boven Jer. 7:13.Vers 8 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden dezes verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben.15 goeddunken Zie Jer. 2:17.16 hunlieder Het boze hart van allen.17 heb Ik Dat is, zal Ik zekerlijk over hen brengen.18 woorden Te weten de bijgevoegde dreigementen, dat is gedreigde straffen; zie daarvan Lev. 26, en Deut. 28.Vers 9 Voorts zeide de Heere tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem.19 verbintenis Ligue, samenzwering, om kwaad te doen, regelrecht strijdende tegen het verbond, dat zij met mij gemaakt en bezworen hebben.Vers 10 Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis Israëls en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb.20 voorvaderen, Die in de woestijn, en voorts in de volgende tijden, ongehoorzaam geweest zijn.21 zij hebben Als boze nakomelingen van hun boze voorvaders.22 gebroken, Of, vernietigd.23 gemaakt heb. Zie Gen. 15:17,18.Vers 11 Daarom zegt de Heere alzo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen.24 kwaad Dat is, straf, ongeluk, ellende, enz. gelijk Jer. 11:12.25 uitkomen; Dat is, zichzelven daaruit redden; vergelijk Micha 2:3.Vers 12 Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem henengaan, en roepen tot de goden, dien zij gerookt hebben; maar zij zullen hen gans niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads.26 gans niet Hebreeuws, verlossende niet verlossen.27 kwaads. Dat ik over hen brengen zal, Jer. 11:11; alzo Jer. 11:14,17,23.Vers 13 Want naar het getal uwer steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal der straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld voor die schaamte, altaren om den Baäl te roken.28 [naar] Gelijk boven Jer. 2:28.29 schaamte, Dat is, den schandelijken afgod Baäl; zie boven Jer. 3:24.Vers 14 Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.30 Gij dan, O Jeremia.Vers 15 Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen, dewijl zij die schandelijke daad met velen doet, en het heilige vlees van u geweken is? Wanneer gij kwaad doet, dan springt gij op van vreugde.31 Wat heeft Vergelijk de manier van spreken met 2 Sam. 16:10, en de aantekening aldaar.32 beminde Te weten, dit volk, [het Hebreeuwse woord staat in het mannelijk geslacht, maar de volgende woorden in het vrouwelijke] dat zich alzo noemt, of er op beroemt dat het mijn bemind volk is; of, God noemt hen zo, niettegenstaande hunne ondankbaarheid, vanwege zijn verbond, dat Hij met hen en hunne vaderen gemaakt, en de weldaden, die Hij hun bewezen had; vergelijk onder Jer. 12:7,8; Rom. 3:3, en Rom. 11:28. Sommigen verstaan hierdoor den profeet Jeremia en andere dienstknechten van God, die dagelijks in den tempel tot dit boze volk profeteerden; vergelijk boven Jer. 7:2; alsof God zeide: Wat hebben mijne knechten meer in den tempel bij dit wederspannig volk te doen om hen te onderwijzen, of voor hen te bidden? Zie Jer. 11:14.33 Mijn huis Den tempel; alsof God zeide: Wat lopen zij veel in den tempel, daar zij toch zo vol van alle boosheid zijn?34 zij Versta, de dochter mijns volks, of de stad Jeruzalem, dat is de inwoners.35 schandelijke Anders: grove schandelijkheid, omdat het Hebreeuwse woord, betekenende een gruwelijk feit, of aanslag [zie Spreuk. 31:16], hier ene letter meer heeft dan gewoonlijk, dienende tot verzwaring van de betekenis; vergelijk Ps. 3:3. Versta hierdoor de gruwelijke afgoderij, waarvan Jer. 11:13, enz.36 [met] Te weten met vele afgoden, gelijk boven Jer. 11:13; of men kan het duiden op de menigte of groten hoop dergenen, die deze gruwelen bedreven, aldus: Dewijl velen hunner deze schandelijke daad bedrijven; sommigen stellen in plaats van met vele, [ja zelfs] de groten; vergelijk Ezech. 8:11, en Ezech. 23:39.37 het heilige vlees Hebreeuws, het vlees der heiligheid, of des heiligdoms, zijn van u geweken, of zullen van u wijken. Gelijk het woord vlees bij ons in het getal van velen niet gebruikelijk is, alzo wordt het ook in den Hebreeuwsen Bijbelsen tekst niet meer dan eens [Spreuk. 14:30] in het getal van velen gebruikt. De zin is: Al uwe offeranden, o Jeruzalem, deugen niet meer, gij doet geen heilig offer meer, omdat gij alles met uwe boosheid ontheiligt. Sommigen verstaan het aldus: Dat God hen dreige, de tijd is voorhanden dat zij, om hunne goddeloosheid gestraft en uit hun land verjaagd zijnde, in den tempel niet meer zullen kunnen komen, noch offeren, noch hun vrolijke maaltijden van het vlees der offeranden houden, gelijk zij nu deden, doch met een gruwelijke ontheiliging van Gods heilige inzettingen, waarom hen God uit zijn huis en land verstoten zou. Sommigen verstaan door het heilige vlees de oprechte Israëlieten, die uitwendig en inwendig besneden waren.38 Wanneer Of, want [in] uwe boosheid, enz. Anders: wanneer uw kwaad; [dat is, uwe straf, ellende voorhanden is, of door mijne profeten voorzegd of gedreigd wordt] dan verheugt gij u; dat is, gij veracht mijne dreigementen zozeer, dat gij ook, als tot mijn spijt, des te meer vreugde bedrijft, om te tonen dat gij er niet op past.Vers 16 De Heere had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden.39 liefelijke Hebreeuws, vrucht van gedaante.40 geroep Vergelijk Ezech. 1:24.41 vuur Versta, de verwoesting, het verderf en de vertering van land en lieden, door de Babyloniërs.42 denzelven Olijfboom. Anders: een vuur heeft zijne bladeren aangestoken.43 takken Of, scheuten, loten, spruiten.44 zullen Anders: zullen zij verbreken.Vers 17 Want de Heere der heirscharen, Die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken; om der boosheid wil van het huis Israëls en van het huis van Juda, die zij onder zich bedrijven, om Mij te vertoornen, rokende den Baäl.45 geplant, Als een olijfboom, gelijk in Jer. 11:16 gezegd is.46 kwaad Het verderf door de Babyloniërs.47 te vertoornen, Of, tot toorn te verwekken.