Het ware geloof is zonder aanzien des persoons
Vers 1 Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.1 het geloof van onzen Dat is, het christengeloof, waarvan Christus het fundament is; 1 Cor. 3:11.2 [den Heere] der heerlijkheid, Hiermede wordt aangewezen de waardigheid van het christengeloof, als dat niet alleen ziet op Christus voor ons gekruisigd, 1 Cor. 2:2; maar ook die van eeuwigheid God is, en nu in heerlijkheid zit aan de rechterhand van God in de hoogste plaats. Zie 1 Cor. 2:8; Hebr. 1:3; 1 Petr. 3:22. Anderen voegen dit woord der heerlijkheid bij het woord het geloof; omdat het geloof vooral daarop ziet, dat Christus door Zijn lijden ingegaan is in Zijn heerlijkheid, en alle gelovigen in deze ook zal inbrengen en deze deelachtig maken.3 met aanneming des persoons. Dat is, van de uiterlijke gelegenheid des mensen, die tot de zaak niets doet, gelijk rijkdom, macht, enz.; zie hiervan de aantekeningen Hand. 10:34; Rom. 2:11.Vers 2 Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;4 vergadering kwam Grieks synagoge; waardoor verstaan worden niet de Joodse scholen of synagogen, waar de christenen niet meer kwamen om hun godsdienst te oefenen, maar allerlei plaatsen, waar de christenen bijeen kwamen om den godsdienst te plegen.5 een man met een gouden Dat is, rijke lieden die vanwege hun rijkdom of pracht voorgetrokken worden, waaronder dikwijls worden gevonden zodanigen als beschreven worden Jak. 1:6,7.6 sierlijke kleding, Grieks blinkende.7 een arm man in Namelijk hoewel hij vroom en gelovig is.8 met een slechte kleding; Grieks in een vuile kleding.Vers 3 En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;9 aanzien dengene, Dat is, uwe ogen allen tezamen op hem slaan met eerbied.10 op een eerlijke plaats; Grieks wel, of eerlijk.11 den arme: Sta Namelijk die in de vergadering komt. Zie Jak. 2:2.Vers 4 Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?12 Hebt gij dan Of zijt gij niet in uzelf veroordeeld? Dat is, in uw conscientie overtuigd, dat gij daar kwalijk aan doet.13 rechters geworden Dat is, gij hebt geoordeeld dat uw kwade overleggingen in dit aannemen des persoons goed en behoorlijk waren. Of rechters die kwade overleggingen hebben; dat is, verkeerde rechters.Vers 5 Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?14 heeft God niet Dat is, hebt gij niet gelezen, of geleerd, verstaan, dat God, enz.15 uitverkoren Namelijk van eeuwigheid voor de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, en in den tijd geroepen.16 de armen dezer Niet allen, maar meer armen dan rijken; 1 Cor. 1:26.17 [om] rijk [te zijn] Of om te worden rijk in het geloof, enz. Zie dergelijke wijze van spreken Rom. 8:29; gelijk de volgende woorden deze zin noodzakelijk vereisen.18 des Koninkrijks, Namelijk der hemelen, en van alle hemelse goederen, hoewel zij de goederen dezer wereld niet hebben.19 die Hem liefhebben? Namelijk hetzij armen of rijken; hetwelk hij daarbij doet, opdat de rijken niet zouden menen van de verkiezing en dit koninkrijk ten enenmale uitgesloten te wezen.Vers 6 Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?20 oneer aangedaan. Namelijk daarmede, dat gij een zodanigen rijke meer eer aandoet, als een gelovigen arme, dien gij veracht.21 Overweldigen u Hij bewijst dat zodanige rijken zulke eer niet waardig zijn, om hunner boosheid wil, dewijl zij de gelovigen geweldig onderdrukken.22 tot de rechterstoelen? Namelijk om aldaar door schijn van recht, de gelovigen vals te beschuldigen en onbarmhartig te doen veroordelen. Zie Matth. 10:17.Vers 7 Lasteren zij niet den goeden naam, die over u geroepen is?23 den goeden naam, Namelijk van den Heere Jezus Christus, den Zoon Gods.24 die over u geroepen is Namelijk als gij in Zijn naam gedoopt zijt. Of naar welken gij toegenaamd zijt, namelijk Christenen; een Hebreeuwse wijze van spreken. Zie dergelijke Gen. 48:16; Jes. 4:1.Vers 8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;25 de koninklijke wet Dat is, de voornaamste en algemene wet, waaronder alle anderen zijn begrepen, gelijk ook een algemene heirbaan een koninklijke weg genoemd wordt, Num. 21:22. Of die God, een Heer en koning over allen, ons voorgeschreven en geboden heeft.26 volbrengt, naar Of onderhoudt. Want gesteld zijnde, dat iemand de ganse wet van de liefde des naasten onderhield, en hij den persoon aannam, gelijk gezegd is, zo is hij een overtreder derzelfde wet; daar de liefde van den naaste geen plaats kan hebben, waar de naaste veracht wordt; gelijk in Jak. 2:9 verklaard wordt.Vers 9 Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.27 den persoon aanneemt, Namelijk gelijk tevoren is verklaard Jak. 2:1,2, enz.28 doet gij zonde, Grieks werkt; dat is, doet een werk dat zonde is, als strijdende tegen de liefde van den naaste.29 de wet bestraft Namelijk in Jak. 2:8 vermeld.Vers 10 Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.30 wie Niet dat iemand de gehele wet volmaakt kan onderhouden, maar dit wordt gezegd onder voorwaarde, zo daar iemand ware, of zo iemand daarin roemt, gelijk de jongeling, Matth. 19:20.31 de gehele wet Namelijk uitgenomen dit ene, waarin hij mistreedt.32 struikelen, die Dat is, zondigen; een gelijkenis, genomen van degenen, die onder het wandelen of lopen hun voet stoten en vallen; zie hierna Jak. 3:2.33 is schuldig Dat is, heeft zich schuldig gemaakt aan de straf, die de wet tegen de overtreders uitspreekt, Deut. 27:26. Vervloekt is hij, die niet blijft in al, enz. Want die den wetgever durft verachten in het ene, die durft hem ook verachten in het andere; en die één lid van het lichaam kwetst, wordt gezegd het gehele lichaam gekwetst te hebben.Vers 11 Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden.34 Die heeft ook gezegd: Dat is, het is één en dezelfde wetgever, die zo wel het ene heeft verboden als het andere.Vers 12 Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.35 Spreekt alzo, Namelijk zonder aanneming van den persoon.36 de wet der vrijheid Dat is, door het Evangelie, waardoor verkondigd wordt, dat wij door Christus vrijgemaakt zijn van de strengheid der wet. Zie tevoren Jak. 1:25, en dies te zwaarder oordeel zullen hebben te verwachten, zo wij deze genade tot onbarmhartigheid misbruiken. Anderen zetten het over: Als die door de wet der vrijheid, dat is, naar de leer van het Evangelie, voortaan uwe broeders zult oordelen, zonder aanneming van den persoon.Vers 13 Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.37 een onbarmhartig Dat is, hetwelk niet is verzacht of getemperd met barmhartigheid, of genade van vergeving.38 die geen barmhartigheid Dat is, die geen liefde tegen zijn naasten zal gepleegd of betoond hebben, waaronder ook zijn degenen, die uit aanneming van den persoon de armen verachten. Zie Matth. 25.39 de barmhartigheid roemt Dit verstaan sommigen van de barmhartigheid van God, die tegen het strenge oordeel der wet roemt, als het overwonnen en weggenomen hebbende van alle gelovigen door Christus. Maar de voorgaande woorden schijnen te eisen, dat het verstaan worde van de barmhartigheid des mensen, die hij aan zijn naasten heeft gedaan. Deze roemt, dat is, doet den mens, die ze gedaan heeft, in Christus roemen en zich verblijden, tegen het oordeel der verdoemenis, dat het over hem niet komen zal; daar het zeker is, dat het niet komen zal over de ware gelovigen, Joh. 5:24; Rom. 8:1; 1 Cor. 15:55, en hij door de werken der barmhartigheid en liefde van de waarheid en oprechtheid van zijn geloof is verzekerd; Matth. 25:35; Gal. 5:6.