Advertentie

Handelingen 20

38 verzen · 83 kanttekeningen · Statenvertaling

Vers 1 Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen.1 gegroet hebbende, Namelijk met omhelzen en kussen, gelijk de gewoonte van die landen medebracht; Gen. 31:55; 1 Thess. 5:26.Vers 2 En als hij die delen doorgereisd, en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland.2 Griekenland. Namelijk in dat deel van Griekenland, hetwelk Attica genaamd werd.Vers 3 En als hij aldaar drie maanden overgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden, als hij naar Syrië zoude varen, zo werd hij van zin weder te keren door Macedonië.3 overgebracht had, Grieks gemaakt. Zie Hand. 15:33, en Hand. 18:23.4 varen, zo werd Grieks in de hoogte, of diepte, namelijk van de zee, gedreven zou worden.5 zin weder te Of, voornemen, mening.Vers 4 En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus.6 tot in Azië Het schijnt, dat Paulus niet gewild heeft dat deze hem verder zouden vergezelschappen, uitgenomen Trofimus; Hand. 21:29.7 Sopater Anders, Sosipater, waarbij sommigen doen, de zoon van Fyrrhus. Zie van hem Rom. 16:21.8 van Berea; Grieks een Bereër.9 die van Azië Waaruit blijkt dat hetgeen de apostel zegt 2 Tim. 1:15, niet van allen, maar van het meeste deel moet verstaan worden.Vers 5 Dezen, vooraf heengegaan zijnde, wachtten ons te Troas.Vers 6 Wij nu scheepten af van Filippi na de dagen der ongehevelde broden, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden.10 der ongehevelde Dat is van pasen; Matth. 26:17.11 in vijf dagen Of, het einde van vijf dagen.12 wij ons zeven Namelijk Paulus en zijn gezelschap, onder welke Lukas zichzelven hier ook begrijpt.13 onthielden. Grieks versleten; namelijk den tijd.Vers 7 En op den eersten dag der week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot den middernacht.14 eersten dag Grieks enen. Zie Gen. 1:5; Matth. 28:1; en vergelijk daarmede 1 Cor. 16:2, welke dag de dag des Heeren genaamd wordt, Openb. 1:10.15 der week, als Grieks der sabbaten. Zie Matth. 28:1; Luk. 18:12.16 om brood te breken, Dat is om met elkander te eten, en het Avondmaal des Heeren te houden. Zie Hand. 2:42,46; 1 Cor. 11:20,21,22.17 handelde Paulus Namelijk van de leer des Evangelies.Vers 8 En er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren.18 vele lichten in Grieks vele lampen. De gelovigen, om het gevaar te ontgaan van vervolging, vergaderden toen veeltijds bij nacht; en hadden in hunne vergaderingen lichten, om niet gelasterd te worden [gelijk nog evenwel de goddelozen deden], dat zij iets onbehoorlijks in dezelve deden.19 zij vergaderd waren. Anders, wij.Vers 9 En een zeker jongeling, met name Eutychus, zat in het venster en met een diepen slaap overvallen zijnde, alzo Paulus lang tot hen sprak, door den slaap nederstortende, viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen.20 overvallen zijnde, Of, in een diepen slaap gevallen zijnde. Grieks henen weggenomen, afgevoerd.21 lang tot hen Grieks zeer veel handelde.22 nederstortende, Of, nedergestort zijnde.Vers 10 Doch Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zeide hij: Weest niet beroerd; want zijn ziel is in hem.23 is in hem. De ziel was waarlijk van Hem gescheiden, Hand. 20:9, maar dit spreekt Paulus omdat hij ten volle verzekerd was, dat deze wederom in hem zou komen, gelijk Matth. 9:24; of, omdat dezelve op dien ogenblik in hem wederkwam.Vers 11 En als hij weder boven gegaan was, en brood gebroken en wat gegeten had, en lang, tot den dageraad toe, met hen gesproken had, vertrok hij alzo.24 brood gebroken Zie Hand. 20:7.25 gegeten had, Grieks geproefd had; namelijk algemene spijs, hetwelk bij het gebruik des Avondmaals placht te geschieden.26 alzo. Zie dergelijke Joh. 4:6.Vers 12 En zij brachten den knecht levende, en waren bovenmate vertroost.27 vertroost. Dat is, verblijd en verkwikt.Vers 13 Maar wij, vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het alzo bevolen, en hij zelf zou te voet gaan.28 Assus, waar Ene stad in Mysië, omtrent Troas, anders ook Apollonia genaamd.29 bevolen, en Grieks verordineerd.30 te voet gaan. Dat is, te land reizen, om onder weg het Evangelie hier en daar te prediken.Vers 14 En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mitylene.31 Mitylene. Een eiland met ene stad van denzelfden naam, niet ver van Assus, gelegen in de Egeïsche zee.Vers 15 En van daar afgescheept zijnde, kwamen wij den volgenden dag tegen Chios over, en des anderen daags legden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllion, en den dag daaraan kwamen wij te Milete.32 Chios over, Een eiland tussen Samos en Lesbos, in dezelfde zee.33 Samos, en Een eiland daaromtrent, hebbende ene stad van denzelfden naam.34 Trogyllion, Een hoek van den berg Mycale, uitstekende in de zee, van Samos gelegen veertig stadiën.35 Milete. Ene stad aan de zee, op het vaste land van Jonië, niet ver van Efeze.Vers 16 Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azië zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk ware) op den pinksterdag te Jeruzalem te zijn.36 voorgenomen Grieks geoordeeld; dat is goedgevonden.37 pinksterdag Van dezen feestdag, zie Hand. 2:1. Dit deed de apostel niet omdat hij meende dat dit Joodse feest nog moest onderhouden worden; Gal. 4:10; Col. 2:16, maar opdat hij door de menigte van het volk, dat op het feest kwam, gelegenheid zou hebben om het Evangelie te beter te verbreiden.Vers 17 Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen der Gemeente.Vers 18 En als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dag af, dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u den gansen tijd geweest ben;38 Azië ben Namelijk alzo eigenlijk genaamd, zijnde een deel van Klein-Azië, waarvan Efeze de hoofdstad was.Vers 19 Dienende den Heere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden;39 ootmoedigheid, Of, nederigheid, van gemoed of van staat, gelijk Luk. 1:48.40 tranen, en Namelijk uit medelijden over de arme onwetende of verleide mensen.41 verzoekingen, Dat is, verdrukkingen. Zie Jak. 1:2, en 1 Petr. 1:6.Vers 20 Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen;42 achtergehouden Grieks onttogen; dat is verzwegen, òf door vrees van mensen, òf om gewins wil; 1 Thess. 2:3,4.43 bij de huizen. Dat is, in het bijzonder.Vers 21 Betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus.44 Betuigende, Namelijk alom en zeer sterk, met vaste gronden en getuigenissen der Heilige Schriftuur.Vers 22 En nu ziet, ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal;45 gebonden zijnde Dat is, als met banden getrokken zijnde.46 door den Geest, Door sterke aandrijving en bevel des Heiligen Geestes; of door mijn gemoed uit ingeven des Heiligen Geestes. Zie Hand. 19:21.47 niet wetende, Namelijk in het bijzonder.Vers 23 Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn.48 van stad tot Dat is, alom in alle steden, waar ik door reis; Luk. 8:4.49 betuigt, zeggende, Namelijk door de profeten, wien de Heilige Geest zulks geopenbaard heeft; Hand. 21:4,11.50 aanstaande zijn. Grieks mij verwachten.Vers 24 Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik, van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.51 ik acht op Grieks ik maak gene rekening van enig ding.52 leven dierbaar Grieks mijn ziel.53 mijn loop met Namelijk des Christelijken levens, en inzonderheid van mijn dienst; 1 Cor. 9:24; 2 Tim. 4:7.54 der genade Gods. Dat is, waarin ons de genade Gods verkondigd wordt.Vers 25 En nu ziet, ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult.Vers 26 Daarom betuig ik ulieden op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.55 rein ben van Dat is, onschuldig aan uw verderf, alzo ik u den weg der zaligheid getrouwelijk heb aangewezen. Zie Ezech. 3:18,19; Hand. 18:6.Vers 27 Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods.56 achtergehouden, Zie Hand. 20:20.57 al den raad Gods. Dat is, al wat God besloten en geopenbaard heeft aangaande de zaligheid der mensen, door wien en hoe dezelve verkregen wordt; Luk. 7:30; Ef. 1:11.Vers 28 Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.58 op uzelven Dat is, op uw leer, leven en ambt.59 over dewelke u Grieks in dewelke.60 de Heilige Geest Die de voornaamste oorzaak is van de wettige beroeping der dienaren des Woords, hoewel Hij dat door den dienst der mensen doet; zie Hand. 13:2,3.61 opzieners gesteld Grieks Episkopous; waarvan het woord bisschop gekomen is. Deze worden Hand. 20:17 genaamd ouderlingen der gemeente. Waaruit blijkt dat in de Heilige Schrift tussen ouderlingen en bisschoppen geen onderscheid gemaakt wordt; zie Filipp. 1:1.62 te weiden, welke Namelijk met de gezonde leer des goddelijken Woords; door ene gelijkenis genomen van schaapherders, bij welke het ambt van de dienaren des Woords zeer bekwamelijk wordt vergeleken; Jer. 23:4; Joh. 21:15; Ef. 4:11; 1 Petr. 5:2.63 Hij Namelijk God, dat is de Zoon Gods, die onze menselijke natuur aangenomen heeft in enigheid Zijns persoons.64 verkregen heeft Of, verworven, gekocht, zijn eigen gemaakt.65 door Zijn Namelijk door hetwelk Hij ons heeft verlost, en niet door het bloed van enige beesten; Hebr. 9:12. Dit bloed wordt Gods eigen bloed genaamd, omdat de Zoon Gods, zijnde en blijvende waarachtig God, menselijk vlees en bloed heeft aangenomen in enigheid des persoons; ene wijze van spreken, waardoor de persoon van Christus, benaamd zijnde van de ene natuur, toegeschreven wordt hetgeen Hem eigen is naar de andere natuur. Zie Joh. 3:13.Vers 29 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.66 vertrek Namelijk van hier uit deze landen, of ook uit dit leven.67 zware Dat is, gruwelijke, bezwaarlijke.68 wolven tot Dat is, valse leraars, die de schapen met hunne valse leer vernielen; Matth. 7:15.Vers 30 En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.69 uit uzelven Dat is, uit de leraars en opzieners zelf.70 verkeerde dingen, Of, verdraaide; gelijk de Satan alles verdraait om de waarheid te verduisteren.71 achter zich. Namelijk om hen en hunne leer te volgen.Vers 31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.72 drie jaren Vergelijk Hand. 19:10.Vers 32 En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.73 den woorde Dat is, het Evangelie, om daarmede uw geloof te versterken en daarin uwen troost te zoeken. Zie Hand. 14:26.74 Die machtig Namelijk God.75 bouwen, en Namelijk de gemeente vermeerderende met gaven en in het getal.76 een erfdeel Namelijk des hemelsen vaderlands.77 geheiligden. Namelijk door den Geest der wedergeboorte; of afgezonderd van de wereld door het geloof.Vers 33 Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd.Vers 34 En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben.Vers 35 Ik heb u in alles getoond, dat men, alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van den Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.78 de zwakken moet Namelijk in het geloof en de kennis der Christelijke leer.79 opnemen, Dat is, òf onderstutten dat zij niet vallen, òf, gevallen zijnde, de hand bieden om op te helpen; Luk. 1:54.80 dat Hij gezegd Deze woorden staan in de Evangelische geschiedenis niet beschreven, gelijk niet alle woorden en daden van Christus beschreven zijn, Joh. 20:30, en Joh. 21:25, maar kunnen evenwel afgenomen worden uit sommige spreuken van Christus; Luk. 6:38, en Luk. 16:9.81 zaliger te Want die den armen geeft, die geeft het den Heere op woeker; Spr. 19:17.82 geven, dan te Namelijk de tijdelijke goederen tot onderhoud van den kerkedienst of der armen.Vers 36 En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden.Vers 37 En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om den hals van Paulus, kusten hem;83 geween van Een teken van hartelijke liefde tot hunnen leraar.Vers 38 Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.