Gebed en klacht van den profeet
Vers 12 Zijt Gij niet van ouds af de Heere, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o Heere! tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt Gij hem gegrondvest.44 van ouds af Dat is, van eeuwigheid.45 mijn Heilige? Onder andere namen, die God gegeven worden, is ook deze, de Heilige Israëls. Zie Ps. 71:22. Zie ook Jes. 12:6, en Jes. 43:3,15 en Jes. 49:7.46 Wij zullen Dat is, wij zullen niet ganselijk door de Chaldeën uitgeroeid worden, maar Gij zult ons door uw krachtige hand verlossen.47 tot een Dat is, opdat hij [te weten de koning te Babel] uwe gerichten volvoere.48 o Rots, Dat is, o Heere, op wien wij ons verlaten en steunen, als op onzen rotssteen. Dit zijn woorden van den profeet in zijn en in des volks naam. Verg. Deut. 32:4; Ps. 18:3, en Ps. 19:15.49 te straffen Te weten ons en anderen, of zichzelven, te weten nadat hij , als een roede en staf van uw toorn, ons zal gekastijd hebben. Verg. Exod. 9:16.Vers 13 Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?50 het kwade Te weten hetwelk de Chaldeën ons aandoen.51 zoudt zien, Gods oog is niet verborgen; Hij ziet het kwaad dat de mensen bedrijven, Ps. 10:14; maar Hij ziet het niet met goede ogen aan, Hij zal het ook niet altijd ongestraft laten. Doch Obad. 1:13, wordt deze manier van spreken genomen voor met lust het kwade, hetwelk den vromen overkomt, aanschouwen.52 de kwelling Dat is, den overlast, te weten overlast, kwelling, moeite, dat is de Chaldeën ons aandoen.53 kunt Gij Zie de aantekening 51.54 die trouwelooslijk Tw de Chaldeën, die zeer trouweloos en meinedig geweest zijn. Zie Jes. 21:2.55 zwijgen, Dat is, de straf nalaten.56 de goddeloze Te weten, de Chaldeër.57 die rechtvaardiger Te weten, het Joodse volk, vergeleken bij de Chaldeën. Doch versta dit van de godzaligen onder de Joden, welken die zijn waar de profeet voor bidt; want de goddelozen onder de Joden gingen de heidenen in boosheid ver teboven. Zie Jer. 2:10,11.Vers 14 En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?58 waarom Dat is, waarom zoudt Gij lijden dat de groten en machtigen dezer wereld de kleinen en onnozelen zouden vangen, doden, opslokken en verdelgen naar hun lust en goeddunken, gelijk de grote vissen de kleine doen, alsof Gij in de wereld alles liet gaan als bij geval, en alsof Gij nergens acht op gaaft?59 dat geen Di, geen groten vis, of kruipend dier, hetwelk over hen heerst en hen beschermt tegen het geweld dergenen, die hen verslinden.Vers 15 Hij trekt ze allen met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich.60 Hij trekt Te weten de vijand van wien boven gesproken is, Nebukadnezar.61 allen met den Tw mensen, of natiën. Of, hij trekt het, enz. te weten mensen en goederen.62 op, hij Of, uit, dat is, hij brengt hen allen onder zijn geweld. Verg. Dan. 4:30.63 daarom verblijdt De zin is: hij heeft niet alleen geen berouw en leedwezen over zijn boosheid, maar hij verblijdt en verheugt zich daarover, als wel gedaan hebbende. Verg. Ef. 4:19.Vers 16 Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want door dezelve is zijn deel vet geworden, en zijn spijze smoutig.64 Daarom offert Alsof hij zeide: Als het den Chaldeër zo wel en naar zijn wens gaat, zo schrijft hij zulks Gode niet toe, maar zijn eigen macht en kloekheid. Zie Jes. 10:13 en Dan. 4:30.65 door dezelve Te weten, door zijn garen en net.66 is zijn deel Di, is zijn deel, staat, rang verbeterd en grotelijks vermeerderd.Vers 17 Zal hij dan daarom altoos zijn garen ledig maken, en zal hij niet verschonen, met altoos de volken te doden?67 Zal hij dan De zin is: Omdat hij dus wreed en vermeten is, zult Gij daarom altijd deze zijne goddeloosheid verdragen en ongestraft laten voorbijgaan? Zult Gij hem steeds het ene land voor en het andere land na laten overheren en tenonderbrengen?68 ledig maken; Tw om dat weder tot een nieuwe vangst te bereiden en uit te werpen.69 te doden? Di, te verdelgen en uit te roeien, zonder dat Gij, als een rechtvaardig Rechter, daarop acht zult geven en hem straffen? Het antwoord wordt verzwegen, hetwelk zou wezen: geenszins, maar Gij zult hem eindelijk een gebit in den mond werpen en straffen. Dusdanige vragen loochenen sterkelijk.