Gods verbond met Noach
Vers 1 En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!1 zegende God vernieuwt den zegen, dien Hij boven Gen. 1:28, over den mens had uitgesproken, om te tonen dat de onderhouding en vermenigvuldiging des menselijken geslachts, mitsgaders alle heerschappij en macht, die de mens na den val over de onvernuftige dieren behouden had, zowel na als voor den zondvloed, van zijn zegen afhing.Vers 2 En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven.2 roert, Of, kruipt en zich beweegt, als een onredelijk dier.Vers 3 Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.3 Al wat zich roert, Dat is, allerlei eetbaar gedierte, op de aarde, in de lucht en in de wateren.4 dat levend is, Want dat vanzelf, of op kwalijke wijze gestorven is, is door deze wet verboden.5 het groene kruid. Hebr. het groensel, of de groente van het kruid, gelijk boven Gen. 1:30. Dat is, [naar het algemeen gevoelen] boven het groene kruid en de vruchten, die Ik u tevoren tot spijs had verordend, geef Ik u nu ook allerlei levend, eetbaar gedierte.Vers 4 Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.6 met zijn ziel God verbiedt bloedig vlees te eten, om de mensen van alle wreedheid en genegenheid tot doden en moorden af te schrikken, verg. Lev. 3:17, 17:1; Deut. 12:23.Vers 5 En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen.7 uwer zielen Dat is, uwer personen of uw lichamelijk leven.8 eisen; Dat is, wreken, of op order van Mij ingesteld, of ook buiten dezelve.9 alle gedierte Zie Exod. 21:28.10 van de hand eens iegelijken Wie hij ook zou mogen zijn, van hogen of lagen staat, van rijk of arm, van man of vrouw, dewijl de mens zijn broeder of zuster en naaste is.Vers 6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.11 door den mens Hier wordt het ambt der overheid bevestigd, en het zwaard haar gegeven tot straf der boosdoeners, Rom. 13:1 enz.12 naar zijn beeld Zie boven Gen. 1:27. En of wel Gods beeld door den val geschonden en verbroken is, zo heeft nochtans God enig overblijfsel daarvan, om verscheidene redenen, in de mensen gelaten; hetwelk Hij niet begeert geschonden te hebben, maar verordent hier de straf van zodanige schending.Vers 7 Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.Vers 8 Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:Vers 9 Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;13 Maar Ik, Dat is, wat Mij aangaat, om u van mijnentwege te verzekeren, dat Ik alle mensen en dieren niet meer aldus zal verderven, zo verbind Ik Mij aan u met beloften, en geef u het navolgende teken.14 zaad na u. Dat is, met uw nakomelingen, die uit u voortgeteeld en geboren zullen worden; aldus wordt het woord zaad dikwijls genomen. Zie onder Gen. 12:7; Exod. 28:43; Lev. 22:4; Deut. 4:37; 1 Sam. 24:22; 1 Kon. 2:33; Joh. 8:33; Rom. 1:3, Rom. 11:1; 2 Tim. 2:8.Vers 10 En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe.Vers 11 En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.15 alle vlees Dat is, alle mensen en wat levend, roerend en gevoelend is op de aarde.16 uitgeroeid; Zie boven Gen. 8:21,22. Versta zulk een vloed, waardoor het ganse aardrijk met water bedekt zou worden, tot verderving van alle mensen en beesten, die hun woning op de aarde hebben. Derhalve zijn hier uitgesloten bijzondere watervloeden en overstromingen van landen.Vers 12 En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.17 tot eeuwige geslachten. Hebr. tot geslachten der eeuwigheid, dat is, zolang de wereld staan zal. Alzo ook onder vs. 16.Vers 13 Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbonds tussen Mij en tussen de aarde.18 Mijn boog Versta, den regenboog, die volgens de natuur wel een teken is van regen, maar naar de ordonnantie Gods een zeker bewijs, dat de wereld door regen en een algemenen watervloed niet weder zal vergaan.19 als Ik wolken over de aarde breng, Hebr. als Ik een wolk over de aarde wolk; dat is, als Ik haar met wolken overdek.Vers 14 En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken;20 dat deze Of, en.Vers 15 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven.21 Ik gedenken Dat is, Ik zal doen wat Ik beloofd heb. Zie boven vs. 8 op vs. 1, idem, hier het volgende vs. 16.Vers 16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is.22 het eeuwig verbond Zie boven Gen. 8:21,22 en boven op vs. 12.23 God Dat is, Mij.Vers 17 Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.