Begrafenis van Jakob
Vers 1 Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.1 kuste hem. Alzo dat hij hem ook zonder twijfel, de ogen toegesloten heeft, gelijk God Jakob beloofd had, boven, Gen. 46:4.Vers 2 En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israël.2 zijn vader Dat is, het dode lichaam zijns vaders.3 balsemen zouden; Een oud gebruik der oosterse volken, waardoor zij de dode lichamen met welriekende kruiden en krachtige specerijen bestrooid en gevuld en met zalf, daarvan gemaakt, bestreken hebben; welk gebruik de heidenen uit superstitie, maar de Israëlieten met een heilig nadenken, tot een getuigenis van de toekomende onverderfelijkheid onzer lichamen, onderhouden hebben. Zie 2 Kron. 16:14, en 2 Kron. 21:19; Mark. 16:1; Joh. 19:40.Vers 3 En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.4 veertig dagen Te weten, opdat door het langdurige balsemen, de kracht van de kostbare kruiden en zalven al de leden des lichaams doortrekken mocht.5 hem vervuld; Namelijk, aan Jakob.6 zeventig dagen. Langer dan de Israëlieten Aäron en Mozes beweenden, hetwelk maar dertig dagen duurde; Num. 20:29; Deut. 34:8. Doch sommigen menen dat onder deze zeventig dagen, de voormelde veertig der balseming mede begrepen moeten worden. In welken zin het bewenen maar dertig dagen geduurd zou hebben.Vers 4 Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende:7 huis van Farao, Versta de vorsten, raadsheren en vrienden van Farao, die dagelijks bij hem waren; want in den rouw zijnde, mocht Jozef bij den koning niet verschijnen, naar het gebruik van Egypte en van andere landen. Verg. Esth. 4:2.8 genade gevonden Zie boven, Gen. 18:3.Vers 5 Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.9 Zie, ik sterf; Zie boven, Gen. 48:21, en hier Gen. 50:24.10 dat ik mij in Aldus hebben ook anderen, toen zij nog leefden, hun graf tegen hun dood laten bereiden. Zie 2 Kron. 16:14; Jes. 22:16; Matth. 27:60.Vers 6 En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren.Vers 7 En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte;11 alle Dat is, het merendeel, te weten, allen die bij de hand waren, en van huis konden wezen. Verg. Matth. 3:5.12 Farao's knechten, Zijn hofdienaren en edellieden; zie boven, Gen. 20:8.13 oudsten van zijn Zijn raadsheren en andere mannen van staat.14 huis, en al Dat is, hofgezin. Zie boven, Gen. 34:19.15 de oudsten des lands van Vorsten, officieren en aanzienlijken des lands.Vers 8 Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen.16 huis van Jozef Dat is, huisgezin, huisgenoten, dienaars en knechten; verg. de aantekeningen op het voorgaande vs. Gen. 50:8, en boven, Gen. 7:1.17 schapen, en hun Dat is, hun klein en groot vee. Zie boven, Gen. 12:16.Vers 9 En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.18 zwaar heir. Dat is, groot in menigte. Aldus wordt een zwaar volk genoemd, Num. 20:20, en 1 Kon. 3:9, hetwelk uitgelegd wordt een groot volk; 2 Kron. 1:10. Zie ook 1 Kon. 10:2, en 2 Kon. 6:14.Vers 10 Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.19 plein van Versta hier een effen, ledige en open plaats, die met doornen bezet, of omtuind was, of omtrent welke een menigte van doornen groeiden.20 doornbos Datzelfde woord hebben wij Richt. 9:14; Ps. 58:10. Anderen behouden het Hebreeuwse woord ATAD als den eigen naam van deze plaats.21 aan gene zijde Ten aanzien van de plaats, waar Mozes was, toen hij dit schreef.22 Jordaan is, Zie boven, Gen. 13:10.23 hielden zij Hebr. zo rouwklaagden zij daar een rouwklacht.24 zeven dagen. Dat is, Jozef verordende den tijd van zeven dagen, om te beschikken al wat tot het rouwdragen en de begrafenis nodig was; zie Pred. 12:13.Vers 11 Als de inwoners des lands, de Kanaänieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-mizraim, die aan het veer van de Jordaan is.25 inwoners des Hebr. de inwoner; alzo in het volgende, de Kanaäniet.26 haar naam Te weten, der voorzegde plaats.27 Abel-Mizraïm, Dat is, de rouw der Egyptenaars, of, de rouwdragers der Egyptenaars.28 die aan het veer Aldus in het voorgaande, Gen. 50:10.Vers 12 En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had;29 hem zo, Namelijk, Jakob.30 hij hun Zie boven, Gen. 49:29.Vers 13 Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, welke Abraham met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre.31 Machpela, Zie boven, Gen. 49:30.32 Mamre. Zie boven, Gen. 49:30.Vers 14 Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijn broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.Vers 15 Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.33 gewisselijk Hebr. vergeldende vergelden, of, wederkeren.34 aangedaan hebben. Hebr. weder gedaan, of, vergolden hebben; te weten, voor al die ootmoedige beden en vriendelijke smekingen, die hij, in onze handen zijnde, aan ons gedaan heeft, en wij hem afgeslagen hebben. Zie boven, Gen. 42:21, alzo onder, Gen. 50:17.Vers 16 Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende:35 ontboden zij Hebr. zij hebben bevolen aan, of, tot Jozef; dat is, zij hebben tot Jozef enigen afgevaardigd, wien zij bevolen hebben hem uit hun naam wat aan te dienen.36 Uw vader heeft Zij begeren vergiffenis van Jozef, gebruikende daartoe vier redenen: I. Omdat hun vader [zoals zij zeggen] dit vóór zijn dood begeerd had; II. Omdat zij zijn broeders waren; III. Omdat zij berouw hadden en hun zonden bekenden; IV. Omdat zij van één religie met hem waren.Vers 17 Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken.37 der dienaren Die denzelfden God met u dienen, die ons bevolen heeft elkander de misdaden te vergeven, gelijk wij begeren, dat Hij ons genadig is.38 van den God Zie boven, Gen. 26:24, en Gen. 31:42.39 weende als zij Zonder twijfel, omdat zij zeer bewogen spraken van een zaak, die hij zonder beweging niet kon aanhoren, te meer omdat hij hun vrees voor straf bemerkte en wantrouwen op zijn goedheid.Vers 18 Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!40 Daarna kwamen Te weten, nadat zij gehoord hadden het rapport dergenen, die zij tot Jozef afgevaardigd hadden.Vers 19 En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?41 ben ik in Dat is, ben ik God, die de macht zou hebben u kwaad te doen, die God door mij goed doen en behouden wil?Vers 20 Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.42 gelijk het te Dat is, gelijk het heden blijkt, en voor alle mensen openbaar is.Vers 21 Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.43 sprak naar hun Zie boven, Gen. 34:3.